Ademminuutvolume en Longen

Ademhaling: longen en ademhaling

Het ademhalingssysteem voorziet de weefsels van zuurstof en verwijderd koolstofdioxide. Ademhaling bestaat uit: (1) pulmonaire ventilatie, wat het bewegen van lucht in en uit de alveoli betekent, (2) diffusie van zuurstof en koolstofdioxide tussen bloed en alveoli, (3) transport van zuurstof en koolstofdioxide naar en van de weefsels en (4) regulatie van de respiratie.


Onderwerpen


Mechanisme van pulmonaire ventilatie

Longvolume neemt toe en af wanneer de thorax groter en kleiner wordt.
Elke keer wanneer de lengte of dikte van de thorax toe- of afneemt treden er gelijktijdig veranderingen van het longvolume op.
  • Het Diafragma is verantwoordelijk voor rustig ademen. Tijdens inademen (=inspiratie), veroorzaakt contractie van het diafragma voor het neerwaarts bewegen van de longen. Tijdens expiratie, ontspant het diafragma en veroorzaakt de elasticiteit van de longen, de druk van de borstwand en de buikinhoud voor het terug bewegen van de longen.
  • Tijdens stevig ademen zijn de elastische krachten niet voldoende voor een snelle expiratie. De extra kracht wordt veroorzaakt door contractie van de buikspieren.

Omhoog en omlaag bewegen van de ribbenkast veroorzaakt het uitzetten en krimpen van de longen.
Wanneer de ribbenkast omhoog beweegt, neemt de borstinhoud en dus het longvolume toe.
  • Spieren die de ribbenkast omhoog trekken, zijn spieren die meehelpen met de inspiratie. Dit zijn onder andere de m. sternocleidomastoidus, de m. serrati, de m. scaleni en de externe intercostale spieren.
  • Spieren die de ribbenkast naar beneden trekken, zijn spieren die meehelpen met de expiratie. Dit zijn onder andere de interne intercostale spieren en m. abdominus recti. Andere buikspieren drukken de buikinhoud tegen het diafragma.

Het bewegen van lucht in en uit de longen

Pleurale druk is de vloeistofspanning in de ruimte tussen de longpleura en de pleura van de borstwand.
De normale pleurale druk bij het begin van inspiratie is -5 centimeter waterdruk. Dit is de zuigkracht die nodig is om de longen geopend te houden. Tijdens inspiratie, zorgt expansie van de borstkas voor een vergroting van de negatieve druk en deze kan toenemen tot -7,5 centimeter waterdruk.

Alveolaire druk is de luchtdruk in de alveoli.
Wanneer de glottis is geopend er geen luchtstroom is, is de druk binnen de luchtwegen gelijk aan atmosferische druk en dus 0 centimeter waterdruk.
  • Tijdens inspiratie daalt de druk in de alveoli tot -1 centimeter waterdruk. Dit veroorzaakt het binnenstromen van 0,5 liter lucht in de longen tijdens 2 seconden durende inspiratie.
  • Tijdens expiratie gebeurd het tegenovergestelde: de alveolaire druk stijgt tot 1 centimeter waterdruk. De 0,5 liter ingeademde lucht wordt tijdens de 2-3 seconden expiratie verwijderd.


Compliantie van de long is de verandering van longvolume voor elke eenheid verandering in transpulmonaire druk.
Transpulmonaire druk is het verschil in druk tussen alveolaire druk en pleurale druk. De normale totale compliantie van beide longen is bij een normale volwassene 200ml/cm water. Compliantie is afhankelijk van de volgende elastische krachten:
  • Elastische krachten van longweefsel zijn afhankelijk van elastine en collegene vezels.
  • Elastische krachten veroorzaakt door oppervlaktespanning in de alveoli bepalen tweederde van de totale elastische kracht van normale longen.

Surfactant, oppervlaktespanning en klaplong

Watermoleculen trekken elkaar aan.
Het water wat in de alveoli aanwezig is, trekt elkaar aan. Dit leidt ertoe dat lucht uit de longen kan worden geperst en de longen inklappen. Het netto-effect is echter een elastische kracht van de gehele long, welke de oppervlakte elastische kracht wordt genoemd.

Surfactant verhoogd de compliantie door de alveolaire oppervlaktespanning te verlagen.
Surfactant wordt geproduceerd door type II alveolaire epitheelcellen. Het belangrijkste component van surfactant is fosfolipide dipalmitoylfosfatidecholine. Surfactant verspreid zich over de binnenzijde van de alveoli en verlaagd de oppervlaktespanning tot een twaalfde deel van de oppervlaktespanning van water.

Kleine alveoli dreigen eerder in te klappen.
De neiging voor het inklappen van alveoli is omgekeerd evenredig met de radius van de alveoli.
  • Druk = (2 X Oppervlaktespanning)/Radius

Surfactant, “interdependence” en long bindweefsel zijn belangrijk in het stabiliseren van de grootte van de alveoli.
Wanneer sommige alveoli klein zijn en andere groot neigen de kleine alveoli eerder tot inklappen. Hierdoor zouden de grote alveoli nog groter worden. Deze instaniliteit van de alveoli treedt door de volgende redenen niet op:
  • Interdependence. De alveoli, alveolaire buisjes en andere ruimten met lucht verdelen elkaar op een wijze waarbij er geen kleine alveoli voor kunnen komen, omdat ze dezelfde ruimte delen.
  • Bindweefsel. De long bestaat uit ongeveer 50.000 functionele eenheden, welke een of meer alveolaire buisjes en alveoli bevat. Deze worden allemaal omgeven door fibreuze septa.
  • Surfactant. Surfactant verlaagd de oppervlaktespanning, waardoor voorgaande factoren de long geopend houden. Wanneer een alveolus kleiner dreigt te worden, worden de surfactantmoleculen in elkaar gedrukt, waardoor de oppervlaktespanning nog verder afneemt.

Longvolume en longcapaciteiten

De longvolumes en longcapaciteiten worden gemeten met een spirometer.
  • Tidal volume (Vt) is het volume lucht (ongeveer 500 ml) wat met elke ademteug wordt in- of uitgeademd.
  • Inspiratoir reserve volume (IRV) is het extra volume lucht (ongeveer 3000 ml) wat naast het tidaal volume nog kan worden ingeademd.
  • Expiratoir reserve volume (ERV) is het extra volume lucht (ongeveer 1000 ml) wat na een normale uitademing nog met kracht kan worden uitgeademd.
  • Residuaal volume (RV) is het volume (ongeveer 1200 ml) wat na een krachtige uitademing in de longen achterblijft.

Longcapaciteit is de combinatie van twee of meer longvolumina.
  • Inspiratoire capaciteit (IC) is het tidaal volume vermeerderd met het inspiratoire reservevolume (ongeveer 3500 ml). Het is de hoeveelheid lucht die ingeademd kan worden na een normale inademing.
  • Functionele reservecapaciteit (FRC) staat gelijk aan het expiratoir reservevolume vermeerderd met residuaal volume. Het is de hoeveelheid lucht die achterblijft na een normale uitademing.
  • Vitale capaciteit (VC) staat gelijk aan het inspiratoir reservevolume vermeerderd met het tidaal volume en het expiratoir reservevolume. Het is de maximale hoeveelheid lucht die uitgeademd kan worden na een maximale inademing (ongeveer 4600 ml).
  • Totala longcapaciteit (TLC) is het maximale volume tot waar de longen uitgerekt kunnen worden (5800 ml). Het staat gelijk aan de vitale capaciteit en residuaal volume samen.

Ademminuutvolume (AMV) en alveolaire ventilatie

Het AMV is de totale hoeveelheid verse lucht die zich elke minuut door de luchtwegen beweegt. Het AMV staat gelijk aan het tidaal volume vermenigvuldigd met de ademfrequentie. Normaal is het tidaal volume 500 ml. Normaal is de ademfrequentie 12 keer per minuut. Het AMV is 6L/minuut.

Alveolaire ventilatie is de snelheid waarmee nieuw ingeademde lucht de gebieden van de long bereikt waar gaswisseling kan plaats vinden. Tijdens inspiratie bereikt niet alle lucht de gaswisselingsgebieden van de long, maar vult de dode ruimte. Het alveolaire volume is de hoeveelheid verse lucht die de alveoli bereikt.
  • VA=Freq X (VT-VD)
VA is het alveolaire volume per minuut. Freq is de ademfrequentie per minuut. VT is het tidaal volume en VD is de hoeveelheid lucht in de dode ruimte. Met een normaal tidaal volume van 500 ml is het volume in de dode ruimte 150 ml. Het alveolaire volume is dan: 12 X (500-150)=4200 ml/min.

Er zijn drie typen dode luchtruimten:
  • Anatomische dode ruimte is de hoeveelheid lucht in de luchtwegen die niet deelnemen in gaswisseling.
  • Alveolaire dode ruimte is de hoeveelheid lucht in de gaswisselingsgebieden die niet kan participeren met de daadwerkelijke gaswisseling.
  • Fysiologische dode ruimte is de som van bovenstaande punten.

Functies van de luchtwegen; trachea, bronchi en bronchiolen

Lucht wordt achtereenvolgens via de trachea, bronchi en bronchiolen naar de longen geleidt. De trachea is de eerste generatie van de luchtwegen waar lucht door heen stroomt. De hoofdbronchi zijn de tweede generatie van de luchtwegen. Lucht passeert doorgaans 20 tot 25 generaties voordat het de alveoli bereikt.

De wand van bronchi en bronchiolen bestaat uit gladde spieren. De wand van de bronchiolen bestaat bijna geheel uit glad spierweefsel, met uitzondering van het uiterste deel van de bronchiolen. Dit deel bevat niet veel glad spierweefsel meer. Veel obstructieve longziekten (COPD) zijn het resultaat van het nauwer worden van de bronchi en bronchiolen. Dit komt vaak door een contractie van het gladde spierweefsel.

De grootste luchtweerstand is in de grote bronchi te vinden. Dit komt omdat lucht zich beter kan verdelen in de kleiner bronchiolen. Bij longziekten spelen de kleine bronchiolen om twee redenen een belangrijke rol voor de luchtweerstand: (1) door de kleine omvang kunnen kleine bronchiolen makkelijk verstopt raken, (2) doordat relatief veel glad spierweefsel bevat kan het makkelijk contraheren.

Adrenaline en Noradrenaline veroorzaken dilatatie van de luchtwegen. Directe controle van het sympatische zenuwstelsel is zwak, omdat deze vezels alleen het eerste deel van de luchtwegen innerveren. De bronchiolen komen echter middels het bloed in contact met adrenaline en noradrenaline wat door de bijnier wordt gesecerneerd. Met name adrenaline is verantwoordelijk voor dilatatie van de bronchiolen door de sterke stimulatie van B-receptoren.

Het parasympatische zenuwstelsel contraheert de bronchiolen. Een paar zenuwen innerveren vanuit de Nervus Vagus het longparenchym. Deze zenuwen secerneren Acetylcholine, wat matige constrictie van de bronchiolen veroorzaakt. Wanneer een ziekte zoals astma al constrictie veroorzaakt, verergerd parasympatische stimulatie de situatie. Het geven van Acetylcholineremmers (zoals Atropine) kunnen een oplossing zijn.

Mucus van de luchtwegen en cilia en hun functie

Alle luchtwegen worden bevochtigd door een laag slijm (Mucus). De mucus wordt gesecerneerd door kubuscellen in het epitheel. De mucus houdt de luchtwegen vochtig en vangt stofdeeltjes uit de ingeademde lucht op. De mucus wordt middels de trilhaartjes (Cilia) verwijderd. In alle delen van de luchtwegen zijn cilia te vinden. De cilia slaan continue richting de pharynx. Het mucus komt uiteindelijk in de pharynx terecht, waar het doorgeslikt wordt.

Lees ook eens

© 2007 - 2008 Tjieu1, gepubliceerd in Diversen (Wetenschap) op 08-09-2007, laatst gewijzigd op 09-07-2008. Het auteursrecht van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van Tjieu1 is vermenigvuldiging van dit artikel verboden. Meer...

Gerelateerde links

Copd.startpagina.nl en Longen.startpagina.nl.

Verwante artikelen

Bronnen en/of referenties

  • JE. Hall, 2006, Pocket Companion to Textbook of Medical Physiology, Elsevier Inc

Reageer op het artikel "Ademhaling: longen en ademhaling"


Door Bart Kamp op 28-03-2008

Inspiratoire capaciteit (IC) is het tidaal volume vermeerderd met het inspiratoire reservevolume (ongeveer 3500 ml). Het is de hoeveelheid lucht die ingeademd kan worden na een normale inademing. Moet dit niet na een normale uitademing zijn? Reactie infoteur op 29-03-2008:Nee, de inspiratoire capaciteit is het normale inademingsvolume vermeerderd met het extra volume wat nog ingeademd kan worden. Tidaal volume is namelijk het normale inademingsvolume.

Door Victor op 25-11-2007

Bedankt voor de duidelijke uitleg. Ik heb a.s. donderdag een tentamen fysiologie en anatomie en dit heeft erg geholpen!

Door Aad van Dijk op 14-11-2007

Ik heb zelf COPD en Longemficeem dus weet wat het is.