Maatschappelijk en Verantwoord

Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (juridische aspecten)

Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (juridische aspecten)

Voor blijvende duurzame leefbaarheid van de mens en zijn omgeving voor de toekomst is het tegenwoordig onmisbaar dat ondernemingen aan MVO een bijdrage leveren. Zo hebben ondernemingen in feite meer maatschappelijke verantwoordelijkheid dan wat de meeste mensen zouden verwachten. Een verslag waar met veel passie eraan is gewerkt en voor degene die in het onderwerp is geïnteresseerd, evenals door een onervaren ondernemer die binnen een korte tijd enigszins een idee op wil doen over MVO, een must.


Inhoudsopgave

  • 1. Inleiding
  • 2. Maatschappelijk verantwoord ondernemen
  • 2.1 Het idee
  • 2.2 Evolutie van het MVO
  • 2.3 De onderneming
  • 3. Regelgeving met MVO als aandachtspunt
  • 3.1 Gedragscodes
  • 3.1.1 Gedragscodes op het niveau van de onderneming
  • 3.1.2 Corporate governance code
  • 3.2 Wet milieubeheer (Wet milieuverslaglegging)
  • 3.3 Arbeidsomstandighedenwet 1998
  • 3.4 Redelijkheid en billijkheid, art. 2:8 BW
  • 3.5 De enquêteprocedure
  • 3.6 Titel 9 van Boek 2 BW
  • 3.6.1 RJ-400
  • 3.7 Verdere richtlijnen
  • 3.7.1 OESO-richtlijn
  • 3.7.2 GRI-richtlijn
  • 4. De praktijk
  • 4.1 Grote ondernemingen
  • 4.2 Middelgrote en kleine ondernemingen
  • 5. Conclusie
  • 6. Literatuurlijst

1. Inleiding

Dit essay is geschreven in het kader van de afstudeerfase van de opleiding ‘Rechten’ aan de Universiteit van Amsterdam. Na een degelijk literatuuronderzoek, met inachtneming van de persoonlijke interesses, is de keuze gevallen op het onderwerp Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (afgekort: MVO). Cruciaal voor deze keuze is vooral het moderne karakter van het onderwerp met zijn jonge leeftijd op juridisch gebied.

Voor een blijvende duurzame leefbaarheid van de mens en zijn omgeving voor de toekomst is het tegenwoordig onmisbaar dat ondernemingen aan MVO een bijdrage leveren. Omdat ondernemingen een belangrijke rol spelen binnen het maatschappelijke verkeer en voor vele aspecten een fundament zijn, vervullen ondernemingen een rol die vele belangen van grote groepen mensen behartigt. Kennelijk hebben ondernemingen in feite meer maatschappelijke verantwoord-elijkheid dan wat de meeste mensen zouden verwachten en behoeft het onderwerp nadere (juridische) verduidelijking.

Bij het schrijven van dit stuk is getracht naar een heldere uiteenzetting van het onderwerp naar aanleiding van een uitgebreid literatuuronderzoek. Dit stuk kan gelezen worden door degene die in het onderwerp is geïnteresseerd evenals door een onervaren ondernemer die binnen een korte tijd enigszins een idee op wil doen over het onderwerp.

De probleemstelling is: ‘Wat is de invloed van het Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen op de Nederlandse onderneming?’. Deze hoofdvraag zal stapsgewijs in drie kernhoofdstukken worden behandeld. In hoofdstuk 2 zal het onderwerp worden geïntroduceerd. Hoofdstuk 3 zal in het teken staan van een uitgebreide bespreking van de juridische perspectieven die onlosmakelijk met het thema verbonden zijn. Ten slotte biedt hoofdstuk 4 een blik op de hedendaagse praktijk van het onderwerp.

Na bespreking van de kernhoofdstukken zal uiteindelijk de conclusie worden beschreven die de kernhoofdstukken samengevat weergeven en tevens de probleemstelling beantwoorden.

Zoals de pas overleden industrieel ‘Paul Fentener van Vlissingen’ het in zijn levensboek zo subliem stelde: “Ondernemen is werken in de wereld van morgen.” hoop ik hiermee een eenvoudig inzicht te geven aan de lezer dat bij het drijven van een onderneming meer komt kijken dan prachtige winstcijfers en uitstekende financiële prestaties ‘on the short run’. ‘De kracht van onderneming zit in het zoeken van oplossingen voor zo veel mogelijk mensen, van laag naar hoog met een scherp oog op de toekomst.’

2. Maatschappelijk verantwoord ondernemen

Alvorens te beginnen met enige inzichten, lezingen en toewijdingen over dit onderwerp is het raadzaam om enkele fundamentele vragen te beantwoorden over maatschappelijk verantwoordelijk ondernemen.

2.1 Het idee

Maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) is te definiëren als een handelswijze van ondernemers, waarbij sterk rekening gehouden wordt met andere beleidsvelden dan winstmaximalisatie. Velden als grote stedenbeleid, allochtonenbeleid, duurzaam ondernemen (water, lucht, bodem), gehandicapten, werklozen, buurtwerk, sociale infrastructuur, onderwijs, sport en cultuur zijn hiervan goede voorbeelden.

Een hieruit voortvloeiende element is vooral dat het bedrijfsleven op een vrijwillige basis een bijdrage levert aan het geheel van MVO in Nederland (zie vooral Kamerstuk II 2003/23, 26 485, nr. 23, ‘Brief van de Staatssecretaris van EZ over Maatschappelijk verantwoord ondernemen’) en dit gebeurt niet gauw, omdat ondernemers dit doorgaans als een ‘overbodige kostenpost’ zien. Het initiatief en de verantwoordelijkheid berusten primair bij het bedrijfsleven en hieruit is te stellen dat de verantwoordelijkheid van de onderneming toeneemt, dus niet meer alleen over de winstgerichte aandeelhouders (‘shareholders’) en de loongerichte werknemers, maar over een scala van belanghebbenden (ruim geïnterpreteerd, de ‘stakeholders’) die allemaal in onze westerse, geïndividualiseerde samenleving afhankelijker van elkaar zijn geworden.

Een achterliggende gedachte is vooral dat, naast de alom bekende rol van ondernemingen met commerciële doelstellingen, tegenwoordig de maatschappelijke rol van ondernemingen meer centraal staat . Deze maatschappelijke rol uit zich in het drijven van een onderneming, waarbij meer rekening gehouden wordt met ‘andere’ directe belanghebbenden, zoals de afnemers, leveranciers, de omgeving (milieu), regio, werkgelegenheid en de samenleving (aldus hoogrechtsgeleerde prof. Slagter) .
De voorbeelden van MVO in het eerste en het derde alinea zijn vrij abstract. Voor een concrete voorstelling van MVO kan gewezen worden op de praktijkvoorbeelden die in hoofdstuk 4 zijn beschreven, zodat duidelijk is wat van een onderneming kan worden verwacht op het gebied van MVO.

MVO kan anders ook omschreven worden als het bewust richten van waardescheppende ondernemingsactiviteiten op langere termijn in drie dimensies (in de visie van de SER) :
  • Financieel economisch (winstgevendheid en beurswaarde)
  • Sociaal (maatschappelijke acceptatie en welvaart)
  • Ecologisch (behoud van natuur- en landschapswaarden en duurzaamheid)
Deze drie dimensies vertaalt de ‘Sociaal Economische Raad’ in drie thema’s die MVO kenmerken, namelijk met ‘Profit’, ‘People’ en ‘Planet’ .

Verschillende interpretaties zijn mogelijk en niet één is de juiste, maar opmerkenswaardig is ten slotte wel dat dit fenomeen zeer maatschappelijk verwant is en aan veranderingen onderhevig kan zijn. De onderneming zal voortdurend haar belangen afwegen, voordat een besluit genomen wordt.

2.2 Evolutie van het MVO

Maatschappelijk verantwoord ondernemen is geen nieuw verschijnsel, maar het krijgt tegenwoordig meer aandacht en nuance. Om een completer beeld te krijgen van het MVO wordt een korte schets van het verleden gemaakt, waarbij ondernemers hun handelswijze maatschappelijk verantwoord inrichtten.

Door de grootschalige opkomst van het fabriekssysteem (industrialisatie) in het laatste kwart van de 18e eeuw werden bestaande netwerken als familie, kerk en buurt opgebroken. Het verlies werd deels opgevuld door de fabrikanten zelf (interne voorzieningen) uit oogpunt van ‘sociaal ondernemerschap’. Motieven hiervoor waren vooral angst voor arbeidsonrust en maatschappelijke radicalisering, plichtsbesef (door geloof) van de ondernemer en het aantrekken van betere arbeidskrachten elders.

Langzamerhand aan het eind van de 19e eeuw troffen meer werkgevers op vrijwillige basis sociale voorzieningen. Door sociale problemen en slechte (gevaarlijke en mensonterende!) arbeidsomstandigheden kwam er sociale wetgeving en ontstonden, zodoende, vakbewegingen die MVO met een dwingend karakter bevorderden. Overheidsbemoeienis kwam aan de orde en de verzorgingsstaat ontstond, waarna MVO werd bevorderd.

Zodoende kende de maatschappij in de 20ste en 21ste eeuw beter wordende emancipatie, toenemende opleidingsgraad en welvaart, waardoor er meer nadruk op niet-materiële behoeften ontstond, zoals een hoogwaardige leefomgeving, sociale cohesie en andere kwaliteitskenmerken van de samenleving. Het debat over MVO kwam goed op gang na de grote klimaatconferentie in Rio de Janeiro in 1992. Externe effecten op de leefbaarheid werden sneller merkbaar dankzij de informatietechnologie en uiteindelijk was het besef sterk gegroeid dat ondernemingen niet alleen voor financiële winst functioneerden .

Ten slotte is het onjuist om te stellen dat MVO impliceert dat in strijd gehandeld wordt met de winstdoelstelling van de onderneming of dat MVO per definitie tot slechte resultaten leidt (volgens de jurist Steins Bisschop).

Elk onderneming zal aan de principes en verantwoordelijkheden van MVO behoren voldoen, opdat toekomstige generaties van de vruchten mee kunnen profiteren en huidige generaties verantwoordelijk met elkaar omgaan. 'Niet zozeer de vraag of winst te behalen is (doch het bovenal een zéér belangrijke 'quaestie' is, let op 2.3, 4e alinea), maar de vraag hoe men met de winst ermee omgaat (volgens Yu Wong)'.

2.3 De onderneming

Zoals het letterlijke begrip al doet blijken geschiedt maatschappelijk verantwoord ondernemen door ondernemers. Ondernemers zijn onmisbaar voor het begrip MVO, want zij zijn immers de hoofdfiguren die MVO teweeg kunnen brengen. Hieruit moet enige wetenschap aan de orde komen over ‘Wat is een onderneming?’.

Om met een bescheiden definitie te beginnen is de onderneming een organisatie, waarin arbeid wordt verricht, betrekking hebbende op de productie of distributie van goederen en/of diensten en alles wat daarmede in de ruimste zin verband houdt. Het doel is door die productie of distributie een maatschappelijk nuttige rol te vervullen en tevens degenen, die in deze organisatie werkzaam zijn, zinvolle arbeid en een redelijk inkomen te verschaffen .

Binnen stromingen van geld en vervulling van de primaire behoeftes (voedsel, arbeid en kapitaal) van de mensen zijn ondernemingen onmisbaar, want ondernemingen bezitten de kracht van systeemvorming via vereenvoudiging en automatisering van handelingen, uniformering van producten, afstemming van werkzaamheden tussen afdelingen en met toeleveranciers en afnemers en, in het algemeen, het benutten van synergie (aldus prof. mr. Kortmann) . De onderneming maakt onlosmakelijk deel uit van de samenleving en neemt, al dan niet in een wettelijk erkende rechtsvorm, deel aan het maatschappelijke verkeer.

Onder de bedrijfskundigen is het algemeen aanvaard dat voor het bestaan van de onderneming vereist wordt dat de continuïteit van de organisatie zoveel mogelijk zeker wordt gesteld. Daarvoor is nodig, dat naar winst wordt gestreefd . Ondernemingen onderscheiden zich juist van andere organisaties door het streven naar winst. Deze scheppen, zoals in de vorige alinea krachtig geformuleerd, juist waarde door schaarse middelen op een efficiënte en effectieve manier in te zetten voor de productie .

Al met al zijn ondernemingen actoren die een grote rol spelen in de maatschappij en binnen het kader van MVO leveren zij een grote bijdrage. Enig initiatief en prioriteitstelling (naast winstdoelstelling) tot MVO van de ondernemer zal in ieder geval een goed begin zijn.

3. Regelgeving met MVO als aandachtspunt

Gezien de huidige stand van zaken bestaat veel actuele regelgeving waarin MVO er vanaf geleid kan worden. Bij de hieronder gegeven inventarisatie en selectie van regelgeving is aanvankelijk gelet op relevante, sprekende en opmerkenswaardige voorbeelden van regelgeving. Voor de uitleg van de naar voren gekomen regelgeving worden slechts de kernbepalingen (met eventuele kernachtergronden) in behandeling genomen.

3.1 Gedragscodes

Een gedragscode kan worden gezien als een product van zelfregulering. Het zijn regels die door de doelgroep zelf zijn opgesteld en door hen worden gehandhaafd. Bij een ruime interpretatie van zelfregulering houdt dit in dat aan organisaties een bepaalde (maatschappelijke) verantwoordelijkheid wordt overgelaten of overgedragen, zodat de organisaties zelf de vrijheid hebben om tot toepassing van de gedragscode over te gaan (volgens promovendus Koelemeijer) . Beseft moet worden dat codes vrijblijvend zijn en niet juridisch afdwingbaar zijn.

Er zijn heel veel internationale codes en soorten nationale codes die voor bespreking vatbaar zijn, maar in dit hoofdstuk worden de voornaamste codes behandeld die bijna door alle Nederlandse ondernemingen gebruikt worden.

3.1.1 Gedragscodes op het niveau van de onderneming

Een eigen gedragscode kan voor de onderneming een nuttige functie vervullen op het gebied van MVO, zowel intern als extern. Intern kan de code zien op een concrete vorm bij de realisering van het mission-statement en de strategie van de onderneming. Zo kan de interne coördinatie en samenhang (corporate identity) worden versterkt. Extern kan een gedragscode door middel van de gestelde normen en waarden verwoorden (ofwel verantwoorden) hoe de onderneming in de maatschappij staat.

Het beste is om enige illustraties te geven over dergelijke gedragscodes, zodat in een keer een concrete voorstelling kan worden weergegeven omtrent het gebruik van deze codes.

Het grote schroothandelsbedrijf SHV Holdings N.V. kent een eigen handleiding van alle ‘dos and don’ts’ voor het opzetten van vestigingen. Regels als ‘Investeer in mensen.’ en ‘Zorg voor elkaar.’ geven blijk van solidariteit en verantwoordelijkheid tegenover elkaar binnen een onderneming .

Andere ondernemingen als Ahold en het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds kennen ook een eigen gedragscode. Dergelijke codes zien vooral toe op de transparantie van de besluitvorming, kinderarbeid, privacybescherming en handelwijze met partners en leveranciers .

3.1.2 Corporate governance code

Mede als gevolg van de maatschappelijke onrust werd op 10 maart 2003 de Commissie ‘Corporate Governance’ (Cie Tabaksblat) geïnstalleerd. Deze multidisciplinaire commissie (in opvolging van de Cie Peeters die met dezelfde taak was belast), bestaande uit leden van alle facetten van het bedrijfsleven, zoals werkgevers, beursvertegenwoordigers en de VEB, had als doel om voor het eind van 2003 een hernieuwde ‘Code of best practices’ op het terrein van corporate governance op te stellen .

Zodoende werd, na voltooiing van de Code, dit in de Staatscourant (Stc., 27-12-2004’, p. 1 en 35) gepubliceerd en bij ministerieel besluit van minister Donner wettelijk (accent op art. 2:391 lid 4 BW, AmvB van 23 december 2004, Stb. 2004, 747) verankert. De Code is alleen van toepassing op de grote, beursgenoteerde naamloze vennootschappen (art. 1 Besluit). Inmiddels hebben alle grote beursgenoteerde naamloze vennootschappen de Code, dat opgesteld is door een Cie onder leiding van de respectabele heer mr. Morris Tabaksblatt, daadwerkelijk toegepast.
Om de kern van de Code kort samen te vatten is de Code een in bruikbare taal opgestelde dossier voor gebruikers, vooral bestuurders, die aangeeft hoe binnen een vennootschap de corporate governance behoort uit te zien .

De code legt concreet accent op goed ondernemerschap, waaronder inbegrepen integer en transparant handelen door het bestuur, als mede goed toezicht hierop, waaronder inbegrepen het afleggen van verantwoording over het uitgeoefende toezicht. Deze zijn essentiële voorwaarden voor het stellen van vertrouwen in het bestuur en het toezicht door de belanghebbenden. Dit zijn de twee steunpilaren waarop goede corporate governance rust en hiermee het MVO bevorderd wordt (perambule 3 van de Code) .

Beseft moet worden dat de onderneming, ondanks de verplichting tot mededeling over de wijze van implementatie, in beginsel niet verplicht is om de ‘best practices’ van de Code toe te passen. Vanwege zijn flexibele karakter zijn ondernemingen niet verplicht (preambule 6 van de Code), (met andere woorden: niet juridisch gebonden en afdwingbaar) om zich aan alle bepalingen te houden, maar het wordt ‘slechts’ zeer wenselijk geacht dat de ‘corporate governance’ van een onderneming aan de maatschappelijk gewenste maatstaven voldoet . Ook de minister van Justitie Donner gaat ervan uit dat de Code wordt nageleefd .

3.2 Wet milieubeheer (Wet milieuverslaglegging)

‘Wat niet weet, wat niet deert’ luidt een oud gezegde van milieudeskundige Boeve. Het omgekeerde is ook waar: wie zich ergens (zoals het milieu) om bekommert, zal er meer van moeten en willen weten . In het omgevingsrecht is daarom een wet tot stand gekomen waarbij bedrijven via verslagen moeten laten zien in hoeverre ze het milieu belasten en hoe ze hiermee omgaan, opdat enige maatschappelijke verantwoordelijkheid eruit kan blijken.

Als gevolg van de ‘Wet Milieuverslaglegging’, onderdeel van de ‘Wet Milieubeheer’ (afgekort: Wm), zijn bedrijven in de sectoren die het milieu in Nederland het meest belasten, verplicht jaarlijks verantwoording af te leggen voor hun milieugedrag. Per bedrijfslocatie in Nederland moet een milieujaarverslag voor het publiek (het publieksverslag, art. 12.2 Wm) en een milieujaarverslag voor de overheid (het overheidsverslag, art. 12.4 Wm) opgesteld en beschikbaar gesteld worden .

De inhoud van de verslagen moet (zie art. 12.2 lid 2 t/m 4 Wm en art. 12.4 lid 2 t/m 4 Wm) een getrouw beeld geven van de belasting van het milieu dat veroorzaakt is door de inrichting (art. 1.1 Wm) en de zorg voor het milieu die bij het drijven van die inrichting is betracht. Vergelijkend is het publieksverslag aan minder zware eisen verbonden dan het overheidsverslag.

Het directe nut van het opstellen van een overheidsverslag is gekoppeld aan de milieuvergunningen die aan een bedrijf kan worden verleend. Zonder milieuvergunning kan de onderneming zijn activiteiten immers niet ontplooien door de kernverbodsbepaling van art. 8.1 lid 1 Wm, dus bedrijfseconomisch gezien is het maken van een milieu-overheidsverslag noodzakelijk voor de strategische groei van de onderneming. Indirect kan de onderneming zijn mate van MVO uit deze verslagen laten blijken.

Eventuele niet-naleving van deze bepalingen kan leiden tot het opleggen van sancties voor de ondernemer. Het niet openbaar maken van een publieks-verslag en het niet opstellen of niet openbaar maken van een overheids-verslag is een economisch delict (op grond van art. 1a, ten tweede ‘Wet economische delicten’ (afgekort: WED)). Mogelijke sancties kunnen zijn gevangenis-straf, geldboete en stillegging van het bedrijf (art 6 t/m 8 WED).

Om openbaarmaking af te dwingen is in art. 12.7 Wm bepaald dat een ieder zich tot de civiele rechter kan wenden om de openbaarmaking van het publieks- en overheidsverslag te vorderen. Tevens kunnen derden op grond van de Wet openbaarheid bestuur inzage verlangen in de meeste documenten en rapportages die bedrijven aan vergunningverlenende instanties overleggen.

Ten slotte kunnen (rechts)personen (derden) die schade lijden, doordat een bedrijf in strijd met de wet geen publieksverslag publiceert, of doordat de inhoud van een publieksverslag onjuistheden bevat, op grond van onrechtmatige daad (art. 6:162 BW) een schadevergoedingsactie instellen ; vanzelfsprekend dient ook aan de overige vereisten voor een civiele onrechtmatige-daadsactie te zijn voldaan.

3.3 Arbeidsomstandighedenwet 1998

Het is algemeen bekend dat in de tijden van de opkomst van de industrialisatie (18de eeuw) de arbeidsomstandigheden van fabrieksarbeiders onmenselijk slecht waren geweest. Voorbeelden zijn dat het werkterrein met vele machines gevaarlijk was voor de arbeiders, er was nauwelijks sprake van enige rusttijd, er werd geen aandacht besteed aan de beroepsziekten en op de werkvloer was er veel sprake van geweld, sexuele intimidatie en laksheid. Als reactie hierop heeft de wetgever door middel van wetgeving (met al zijn uitvoerende maatregelen) een einde gemaakt aan deze erbarmelijke omstandigheden.

Het MVO ziet toe op het behartigen van andere belangen dan die van de ondernemer en hierdoor kan deze wetgeving bij uitstek als een maatregel beschouwd worden dat het MVO bevorderd, waarmee de primaire belangen van de werknemers beschermd worden.

Centraal staat binnen dit gebied de ‘Arbeidsomstandighedenwet 1998 (Arbowet), die de werkgever verplicht om voor een zo goed mogelijk arbeidsomstandighedenbeleid te zorgen (wettelijke zorgplicht, art. 3 lid 1 Arbowet). Het beleid moet gericht zijn op veiligheid, voorkomen van ziekte, arbeidsongeschiktheid en beroepsziekten en het beschermen van werknemers tegen geweld, agressie en sexuele intimidatie . De wet is van toepassing op alle arbeid die in Nederland wordt verricht (art. 1 jo. 2 Arbowet).

Het verantwoordingsmoment geschiedt met behulp van het opstellen van waarneemverslagen. Bij het voeren van het arbeidsomstandighedenbeleid legt de werkgever in een inventarisatie en evaluatie de risico’s van de arbeiders schriftelijk vast in een ‘Arbo-verslag’. Dit moet jaarlijks gebeuren met medewerking van een gecertificeerde Arbo-dienst. Hiernaast moet hij jaarlijks rapporteren over de uit het arbeids- en rusttijdenbeleid voortvloeiende arbeidspatronen (art. 5 Arbowet jo. art. 4:1, ten tweede ‘Arbeidstijdenwet’).

Een andere wettelijke plicht is de meldingsplicht voor de werkgever. Bij ernstige gevallen en beroepsziekten moet de werkgever onmiddellijk melding doen bij de Arbeidsinspectie (art. 9 Arbowet). Kenmerkend hiervoor, gelet op het karakter van MVO, is dat de werkgever verantwoordelijkheid draagt over zijn eigen maatschappij.

Inhoudelijk ziet het Arbo-verslag slechts toe op de werklocaties in Nederland. Het Arbo-verslag is gericht aan de eigen werknemers (art. 8 Arbowet); het is niet bedoeld als een publieksverslag. Desalniettemin komt het tegenwoordig geregeld voor dat een Arbo-verslag informatie bevat over alle locaties van een onderneming, ook die in het buitenland en dat een Arbo-verslag in brede kring ter beschikking wordt gesteld .

Het bedoelde nut van een het Arbo-verslag heeft vooral een informerende werking waar geen directe rechtsgevolgen uit voortvloeien. Uit dit verslag zal blijken in hoeverre de ondernemer maatschappelijk verantwoordelijk (MVO) zijn onderneming drijft.

Om deze wet te handhaven is er toezicht van de Arbeidsinspectie die op basis van eigen initiatief en inkomende klachten opereert. Deze instelling is een bestuursorgaan en kan gebruik maken van het bestuursrecht-instrumentarium (boetes, dwangsom enz., let op art. 6:4, 8:1 en 7:1 van de ‘Algemene wet Bestuursrecht’) .

Derden kunnen, mede op basis van de Wet openbaarheid bestuur, informatie verkrijgen die de Arbeidsinspectie ter zake van bedrijven vergaart. Hiervoor is het belangrijk dat er een zekere belangenafweging plaats dient te vinden tussen de verzoeker en de daar tegen op wegende belangen van de wederpartij (art. 7 Arbowet jo. art. 10 ‘Wet openbaarheid bestuur’).

Eventuele gevolgen van niet-naleving van deze wet kunnen voor de ondernemer problematisch zijn. Een overtreding van de Arbowet door de werkgever kan financieel zeer nadelig zijn. Het heeft een zekere ‘reflexwerking’ in het civiele recht: onder omstandigheden kan de civiele rechter oordelen dat wanneer een werkgever zijn verplichtingen op grond van de Arbowet niet naleeft, hij de voor hem geldende civielrechtelijke zorgvuldigheidsnormen en de zorgplicht voor veiligheid op de werkplek en goed werkgeverschap heeft geschonden (in de geest van de 'Kelderluik'-criteria). Op grond hiervan kan een gedupeerde werknemer of zijn familie (erfgenamen, opvolgers onder algemene titel enz.) schadevergoeding vorderen (vanwege schending van ‘goed werkgeverschap-bepaling’ art. 7:611 BW en ‘beschermingsbepaling’ art. 7:658 BW, waarna de schadevergoedingsweg open ligt voor art. 7:658 lid 2 BW jo. art. 6:74 BW jo. art. 6:101 BW jo. art. art. 6:106 BW).

3.4 Redelijkheid en billijkheid, art. 2:8 BW

Het zou effectief zijn als tegen ‘onmaatschappelijk ondernemen’ (bijvoorbeeld het nemen van besluiten die de belangen van het milieu en de werknemers schaden) opgetreden kan worden. Het Nederlandse privaatrecht biedt in beginsel een mogelijkheid waar tot op heden niet veel gebruik van is gemaakt. Hieronder volgt een korte schets van de meest toegankelijke weg.

Binnen het rechtspersonenrecht heerst een belangrijk uitgangspunt , namelijk dat een rechtspersoon (ofwel de ondernemer) en degenen die, krachtens wet en statuten, bij zijn organisatie zijn betrokken zich als zodanig jegens elkaar gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd (art. 2:8 lid 1 BW). Bij de vaststelling van wat in concreto redelijk en billijk is, moet in het licht van art. 3:12 BW, rekening gehouden worden met ‘algemeen erkende rechtsbeginselen, met de in Nederland levende rechtsovertuigingen en met de maatschappelijke en persoonlijke belangen, die bij het gegeven geval zijn betrokken’.

Op grond van wat in de voorgaande hoofdstukken/paragrafen over MVO is geschreven lijkt het voor de hand liggend dat MVO een algemeen erkend rechtsbeginsel is. Het zal gezien moeten worden als een in Nederland levende rechtsovertuiging en dat het een maatschappelijk belang aangeeft. Hiermede kan aansluiting gezocht worden met het algemene uitgangspunt van MVO en wat in art. 2:8 BW is neergelegd .

Hierna is in art. 2:15 lid 1 sub b BW bepaald dat een besluit van een orgaan van een rechtspersoon vernietigbaar is wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid die door art 2:8 BW wordt geëist. Niet alle besluiten van het machtige bestuur zijn onaantastbaar.

Hieruit zou dan voortvloeien dat een besluit van de rechtspersoon aantastbaar kan worden, indien het in strijd is met de principes van MVO. Via een zorgvuldige belangenafweging door de rechter en toepassing van art. 2:15 lid 1, sub b BW kan een besluit uiteindelijk vernietigd worden.

Hierbij moet rekening worden gehouden of degene die het beroep instelt een redelijk belang heeft bij een vordering tot vernietiging van het besluit . Naast degenen die krachtens de wet en statuten betrokken zijn, zoals de Ondernemingsraad, aandeelhouders en de Raad van Commissarissen, maken ideële verenigingen en andere soortgelijke belangenbehartigers een goede kans door het instellen van een collectieve actie op grond (en met inachtneming van de strenge vereisten) van art. 3:305a BW, waarbij wordt gevorderd dat de onderneming zich onthoudt van onmaatschappelijk gedrag .

Aldus loopt bijvoorbeeld de ondernemer, die uit commerciële en winstmaximaliserende overwegingen importen pleegt van goederen die met ernstige schendingen van mensenrechten zijn geproduceerd, het risico dat een rechtsactie op grond van art. 2:8 jo. 2:15 BW in een rechterlijke vernietiging van het bestuurlijke besluit resulteert (met een eventueel dwangsombeding!). Gezien de geringe hoeveelheid jurisprudentie over MVO en het jonge karakter ervan, blijkt dat in de praktijk de soep voorlopig nog niet zo heet wordt gegeten.

3.5 De enquêteprocedure

Een ander middel om tegen ‘onmaatschappelijk ondernemen’ op te treden is het aanwenden van een enquêteprocedure. Dit wettelijk (zie Afdeling 2 van Titel 8 van het Burgerlijk Wetboek, boek 2) geregelde enquêterecht beoogt, na de vaststelling dat sprake is van ‘wanbeleid’, te voorzien in maatregelen die de nadelige effecten van dat wanbeleid voor de vennootschap c.q. de belanghebbende daarbij kunnen opheffen of beperken. De toegang tot het enquêterecht is in beginsel beperkt en er is sprake van een bijzondere rechtsgang bij de ondernemingskamer van het gerechtshof te Amsterdam .

Binnen het kader van MVO is het vooral relevant dat bepaalde verenigingen van werknemers (art. 2:347 BW) een procedure kunnen starten. Indien twijfels ontstaan bij een juist beleid van de vennootschap kan het verzoek toegewezen worden, waarna een onderzoek gestart kan worden (art. 2:350 BW). Als het onderzoekresultaat op wanbeleid resulteert, kan de ondernemingskamer voorzieningen treffen (art. 2:355 jo. 2:356 BW), zoals het schorsen of vernietigen van de maatschappelijke onverantwoorde besluiten.

3.6 Titel 9 van Boek 2 BW

‘Reputatie!, reputatie!, reputatie!’, zoals toneelschrijver William Shakespeare het in zijn beroemde stuk ‘Othello’ zo krachtig aangeeft hoe belangrijk dit is binnen het dagelijks leven geldt ook voor het bedrijfsleven dat vertrouwen belangrijker wordt. Dit wordt versterkt doordat bedrijven hogere eisen stellen van hun leveranciers en beseffen dat een goede reputatie betreffende het MVO marktwaarde heeft voor een bedrijf. Een beschaamd vertrouwen kan de concurrentiepositie van een bedrijf aantasten en met de huidige informatietechnologie kan het nieuws snel verspreid worden, waarna een bedrijf snel zijn welverdiende aandacht verliest .

Het krijgen van een goede reputatie geschiedt door het overtuigen van de betrokkenen, zoals aandeelhouders, door middel van verslaggeving. Omdat dit het enige middel is, is het interessant om eens bondig te bekijken hoe de huidige algemene regelgeving er voor staat met betrekking tot algemene verslaglegging van een onderneming.

De wetgever heeft het kennelijk in het belang van de ‘shareholders’ en andere ‘stakeholders’ nodig geacht dat een algemeen jaarverslag van een onderneming aan enkele wettelijke eisen moet voldoen. Hiervoor zijn bepalingen in boek 2 van het BW vastgelegd. Gelet op art. 2:394 lid 4 BW en art. 2:210 (voor de BV) en art. 2:101 BW (voor de NV) is het bestuur jaarlijks verplicht een jaarverslag openbaar te maken als onderdeel van de financiële rapportage van de rechtspersoon/vennootschap .

Inhoudelijk moeten deze verslagen een getrouw beeld geven omtrent de toestand van het bedrijf gedurende het afgelopen boekjaar (art. 2:391 lid 1, 2, 3 BW (voor het jaarverslag) & art. 2:362 jo. art. 2:363 BW (voor de jaarrekening)). Hierbij kan gedacht worden aan de financiële staat van het bedrijf en de verwachte gang van zaken. Het jaarverslag mag niet in strijd zijn met de jaarrekening en een externe (register-)accountant controleert (art. 2:392 lid 1, sub a BW jo. art. 2:393 lid 3, 5 BW) of het jaarverslag in overeenstemming met Titel 9 van boek 2 BW is opgesteld en met de jaarrekening verenigbaar is .

Het jaarrekeningenrecht is in beginsel een civielrechtelijke regeling, ieder belanghebbende kan bij de rechtbank nakoming vorderen van het deskundigenonderzoek (accountants-) en de openbaarmaking van het jaarverslag (art. 2:393 lid 7 BW jo. art. 2:394 lid 7 BW en verder art. 999-1002 Rv). Voor aandeelhouders en werknemersorganisaties bestaat de mogelijkheid een enquêteprocedure te starten en maatregelen te vorderen (zie de arresten ‘Bobel’ (Hof Amsterdam, 17 april 1997, OK, JOR 1997/81) en ‘Bredero’ (Hof Amsterdam, 7 december 1989, OK, NJ 1990/242)).

Misleidende jaarstukken kunnen tot schadevergoedingsacties leiden op grond van onrechtmatige daad (in het licht van de artt. 6:162 (algemene onrechtmatige daadsbepaling) en 6:194 BW (misleidende reclame-bepaling)) en het openbaar maken van een opzettelijk misleidende jaarrekening en het gebruik maken van valse bedrijfsinformatie is strafbaar gesteld bij wet (art. 336 jo. 51 Sr (t.a.v. bedrog bij jaarstukken) en art. 225 jo. 51 Sr (t.a.v. valsheid in geschrift)).

In het licht dat MVO transparantie en duidelijkheid over de onderneming meebrengt moet de belanghebbende de informatie kunnen krijgen over datgene waar hij erbij betrokken is. Door middel van deze wetgeving met betrekking tot de jaarstukken is een deugdelijke wijze van informatieverschaffing kennelijk al aanwezig over de staat en de verantwoordelijkheid van de onderneming (en het bestuur).

3.6.1 RJ-400

Met het algemene jaarverslagenrecht van titel 9 van boek 2 BW is onlosmakelijk een richtlijn verbonden dat MVO betrokken maakt. Ondernemers zullen door deze (vernieuwde) richtlijn meer rekening houden met MVO.

In november heeft de Raad voor de Jaarverslaggeving (RJ), op aandringen van het kabinet-Balkenende I, een gewijzigde ‘richtlijn 400 Jaarverslag (RJ 400)’ uitgebracht. RJ 400 bevat een uitwerking van art. 2:391 BW inzake het jaarverslag en het doet sindsdien enkele aanbevelingen om in het jaarverslag zaken te rapporteren over milieu-, sociale en economische aspecten van de bedrijfsvoering. In deze richtlijn wordt een duidelijke verbinding tussen een maatschappelijk verslag en het jaarverslag gelegd. Ook hiermee kan verantwoording op het gebied van MVO worden geuit, maar deze aanbeveling houdt een wettelijke verplichting in noch heeft het een wettelijke basis. De status van deze aanbeveling is gelijkwaardig aan die van een aanbeveling aan bedrijven en hun accountant over de huidige maatstaven van een solide jaarverslag .

3.7 Verdere richtlijnen

Duurzaamheidverslaggeving levert een intensivering op van de communicatie tussen het bedrijf en al zijn stake- en shareholders, en hiermede kan de mate van MVO bevorderd worden. De communicatie ziet binnen het kader van MVO vooral toe op de keuzes die het bedrijf maakt ten aanzien van milieu-, sociale en ethische kwesties . Dit idee stamt uit het Europese milieubeleid en hierom zijn enkele internationale regelgeving uitgevaardigd. Hierna worden zeer kort de OESO-richtlijn voor multinationale ondernemingen, RJ-400 en GRI-richtlijn besproken, omdat deze op het gebied van MVO een grote rol spelen.

3.7.1 OESO-richtlijn

De Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) heeft op 27 juni 2000 aangescherpte richtlijnen aangenomen voor multinationale ondernemingen ter zake van MVO. Deze richtlijnen bevatten de aanbevelingen die de regeringen tegenover zijn ondernemers moeten handhaven en deze gaan vooral over milieuzorg, respect voor mensen- en arbeids-rechten, belastingplicht voor ondernemingen, fraudebestrijding en kennisoverdracht. De ondernemers worden vooral gestimuleerd om niet-financiële prestatie-indicatoren in hun verslaggeving op te nemen, zoals rapportage op milieu- en sociaal gebied .

Aan deze richtlijnen kunnen in principe geen rechten worden ontleend, maar wel hebben deze een grote rol gespeeld voor het beleid van jaarverslaggeving bij grote ondernemingen.

Opmerkenswaardig is dat gedupeerden van Shell klachten bij het Nationaal Contact Punt (NCP) in Den Haag van de OESO hebben ingediend over het gedrag van het wereldwijde olieconcern in de Filipijnen en Brazilië (www.milieudefensie.nl, nieuws, 10 mei 2006). Hierdoor heeft Shell door alle negatieve publiciteit imagoschade opgelopen, dus een grote onderneming, met wereldwijde allure dat aan deze richtlijn is gebonden, doet er verstandig aan om zijn beleid aan de OESO richtlijnen aan te passen.

3.7.2 GRI-richtlijn

De belangrijkste instantie op het gebied van internationale richtlijnen voor verslaggeving is op dit moment het Global Reporting Initiative (GRI). Deze richtlijn kent een draagvlak onder vele landen en het heeft als doel om de duurzaamheidverslaggeving wereldwijd op hetzelfde niveau wordt gebracht als dat van de financiële verslaglegging. Een veel gehanteerde kader voor verslaglegging over MVO is vooral de ‘Sustainability Reporting Guidelines’ van het GRI .

De facto functioneert deze richtlijn wereldwijd als standaard voor duurzaamheidverslaggeving. Er volgen meer dan 450 multinationals uit ruim 40 landen de GRI richtlijnen in hun duurzaamheidverslaggeving, waaronder het overgrote deel van de Nederlandse AEX-fondsen.

Opmerkenswaardig is dat het GRI uitdrukkelijk aangeeft niet in overleg te treden met overheden, omdat zij onafhankelijk wil zijn. Verder gaan deze richtlijnen uit van de vrijwilligheid aan de zijde van bedrijven om duurzaamheidverslagen op te stellen . Hieruit blijkt dat ook deze richtlijn een wettelijke basis noch een verplichtend karakter heeft.

4. De praktijk

Voor MVO is het uiterst belangrijk dat intenties (vormgegeven via regels) omgezet worden in daadkracht. Er zal daarom een schets gegeven worden van hoe het Nederlandse bedrijfsleven het MVO in zijn bedrijfsvoering opneemt. Voor een goed beeld is het bedrijfsleven in dit hoofdstuk opgesplitst in twee soorten ondernemingen, namelijk ondernemingen die op een grote schaal opereren en ondernemingen die op een middelgrote, kleine schaal opereren.

4.1 Grote ondernemingen

Uit het duurzaamheidverslag van het internationaal opererende bierbrouwerijconcern ‘Heineken NV’ blijkt dat deze onderneming zijn MVO-beleid daadwerkelijk concretiseert in de vorm van zuinig omgaan met zoet water binnen het productieproces, hoogwaardige apparatuur voor waterrecycling, bevoorrechte positie van vrouwen in het werknemersbeleid, blijvende streven naar vermindering van bedrijfsongelukken en het geven van voorlichting over de effecten van alcoholgebruik aan zijn klanten .

Van een andere grote onderneming als het bankconcern ‘ABN-AMRO NV’ blijkt dat deze onderneming in het bijzonder haar MVO-beleid bewerkstelligt via het zo transparant mogelijk maken van haar handelswijze, vermijden van investeringen die maatschappelijk onverantwoord zijn, schenken van aandacht aan jonge talenten uit (Afrikaanse, Indiaanse) minderheidsgroeperingen, gebruiken van groene energie in kantoren, stimuleren van sportieve zeilers bij de ‘Volvo Ocean Race’ en verlenen van steun aan rampgebieden (bijvoorbeeld New Orleans) .

Opvallend is verder dat bijna alle grote concerns de ‘Sustainability Reporting Guidelines’ van het GRI op hun jaarverslagen hebben toegepast. Hieruit blijkt dat de ontwikkeling van MVO in relatie tot jaarverslagen nauwer met elkaar betrokken wordt. Indirect heeft dit effect op het MVO, doordat ondernemingen sneller geneigd zijn tot het realiseren van MVO-activiteiten.

4.2 Middelgrote en kleine ondernemingen

De, in regionale coöperaties georganiseerde, bankgroep ‘Rabobank’ realiseert haar MVO door middel van het organiseren van hardloopwedstrijden, invoeren van zuinigere lease-auto’s voor zijn werknemers, leggen van accent op financiering van 250 bodemsaneringen per jaar en het realiseren van MVO-management voor de lokale vestigingen van de ‘Rabobank’ .

Verder zijn er tal van lokale ondernemingen op lagere niveaus zoals de horecabranche en boekenwinkels die voetbalverenigingen sponsoren (let wel dat sponsoring nauw verweven is met dienstverlening, omdat ondernemingen naamsbekendheid hiervoor terugkrijgen), feest- en carnavalsverenigingen facilitair ondersteunen, lokale wielerwedstrijden organiseren, stadsfeesten houden en aandacht schenken aan de kunst.

Jammerlijk genoeg zijn de hierboven genoemde voorbeelden zeer mondjesmaat. Vaak spelen de grootte en de bekendheid van de ondernemingen een sterke rol bij de mate van MVO. Over het geheel genomen zijn er weinig 'minder grote ondernemingen' die ruim aandacht schenken aan MVO, doordat dergelijke activiteiten de winst drukken. Wel is duidelijk dat het accent van MVO voornamelijk op het personeelsbeleid en milieu ligt en dat MVO op vele verschillende, creatieve manieren gerealiseerd kan worden.

5. Conclusie

In dit hoofdstuk worden de conclusies beschreven naar aanleiding van de resultaten die uit het literatuuronderzoek naar voren zijn gekomen.

Om met de toelichting op het onderwerp te beginnen is maatschappelijk verantwoord ondernemen het drijven van een onderneming, waarbij rekening gehouden wordt met andere belangen dan de commerciële belangen van de onderneming. Kort kan dit omschreven worden als het bewust richten van waardescheppende ondernemingsactiviteiten op de langere termijn in drie dimensies, namelijk financieel economisch (Profit), sociaal (People) en ecologisch (Planet).

Er is tal van regelgeving die MVO bevorderen en opvallend is dat veel regelgeving, met name de internationale richtlijnen en de gedragscodes, geen (verplichte) bindende werking hebben. Los van de verplichte stukken voor de arbeiders en het milieu gaat veel regelgeving uit van de vrijwilligheid aan de zijde van de Nederlandse bedrijven om MVO te realiseren dan wel enige toepassing van MVO aan het publiek te informeren. Bijna alle regelgeving kennen een jonge leeftijd en uit de meningen van menige auteurs valt op dat er nog veel regelgeving op dit gebied valt te verwachten.

Merkwaardig is verder dat deze regelgeving eerder toeziet op het ‘verslaggevingrecht’ en niet zozeer andere, directe concrete verplichtingen in het leven roepen. Kenmerkend is dat hiermee op indirecte wijze het MVO kan worden bevorderd, waarbij de Nederlandse ondernemers rekening moeten houden.

Op internationaal niveau is, gelet op de praktijk en de andere besproken richtlijnen, voornamelijk de GRI-richtlijn een gezaghebbende standaard waarmee wereldwijd direct rekening wordt gehouden bij het verslaggevingbeleid (duurzaamheidrapporten) van ondernemingen. Ook op dit niveau valt vernieuwende internationale en Europese regelgeving te verwachten.

Verder kent het Nederlandse civiele recht nog enkele algemene mogelijkheden (bijvoorbeeld de Arbo-wet, enquêterecht en art. 2:8 BW) om MVO enigszins ‘af te dwingen’, maar momenteel is de jurisprudentie op dit gebied nog vrij schaars en kennen de mogelijkheden hiertoe strenge vereisten met inachtneming van uitzonderlijke omstandigheden die een kans van slagen noodzakelijk maken. Op dit gebied valt nog veel ontwikkeling te verwachten.

Vanuit het werkveld valt veel MVO te ondervinden, waarbij met name de grote, kapitaalkrachtige ondernemingen veel bewegingsruimte hebben. De opgenoemde praktijkvoorbeelden ogen de gevarieerdheid van het MVO en laten zien dat het in vele kleuren kan worden gerealiseerd. De nadruk van vele MVO-activiteiten behartigt vooral de milieu- en werknemersbelangen. Deson-danks is de waarde van MVO nog steeds uitzonderlijk en onvanzelfsprekend voor ondernemend Nederland.

Al met al krijgt MVO door de jaren heen langzamerhand meer aandacht en invloed en wordt toepassing ervan beter gestimuleerd via regelgeving.

6. Literatuurlijst

Boeken:
  • Mr. P. van Schilfgaarde, Van de BV en de NV, 13e druk, Deventer: Gouda Quint 2003
  • M.J. Kroeze e.a., De kern van het ondernemingsrecht, Deventer: Kluwer 2005
  • SER, De winst van waarden, publ. nr. 00/11, Den Haag, 2000, kast 354
  • P. Fentener Van Vlissingen, Ondernemers zijn ezels, Amsterdam: Uitgeverij Balans, 1995
  • B.T.M. Steins Bisschop, Maatschappelijk verantwoord ondernemen en het ondernemingsrecht, ’s Gravenhage: Bju 2004
  • W.J. Slagter, Ondernemingsrecht Compendium, 7e druk, Deventer: Kluwer bv 1996
  • M.N. Boeve, V.M.Y. van ’t Lam (red), Omgevingsrecht, Groningen: Europa Law Publishing 2006
  • Prof. mr. S.C.J.J. Kortmann, Corporate Governance in perspectief, uit de serie ‘Onderneming en Recht’ deel 11, Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink 1998

Officiële overheidstukken:
  • Kamerstuk II 2003/23, 26 485, nr. 23, ‘Brief van de Staatssecretaris van EZ over Maatschappelijk verantwoord ondernemen’
  • Staatscourant, 27-12-2004, ‘‘Pas toe of leg uit’-regel gaat in op 31 dec.’, pag. 1
  • Staatscourant, 27-12-2004, ‘De Nederlandse corporate governance code’, pag. 35
  • AmvB van 23 december 2004, Stb. 2004, 747, ‘Besluit tot vaststelling van nadere voorschriften omtrent de inhoud van het jaarverslag’

Artikelen uit tijdschriften:
  • Mr. T.E. Lambooy, ‘Maatschappelijk verantwoord ondernemen in jaarverslaggeving’, V&O december 2003, p. 194
  • Mr. Koelemeijer, ‘Gedragscode: effectief instrument voor MVO?’, Tijdschrift voor Ondernemingsbestuur nr. 1, 2004, p. 11
  • Prof. dr. Kimman sj, ‘Wordt bedrijfsethiek ingehaald door het recht?’, Tijdschrift voor Ondernemingsbestuur nr. 2, 2004, p. 95
  • Prof. mr. Steins Bisschop, ‘Actualiteiten: regels, regels, Regels!’, Tijdschrift voor Ondernemingsbestuur nr. 2, 2005, p. 61
  • Prof. mr. Steins Bisschop, ‘Actualiteiten: De menselijke kant van de onderneming’, Tijdschrift voor Ondernemingsbestuur nr. 5, p. 181
  • Mr. N. Lemmers & E. Schmieman, ‘De Commissie Tabaksblat gaat op de kleintjes letten’, Ars Aequi november 2003, p. 836
  • Drs. Goutman & Drs. Visser, ‘De prijs van het vertrouwen’, FSR Forum februari 2004, p. 24
  • Mr. T.E. Lambooy, ‘Duurzaamheidsverslaggeving door bedrijven als onderdeel van het jaarverslag?’, Tijdschrift voor Ondernemingsrecht nr. 16, 2004, p. 629
  • L. Timmerman, ‘De slechtheid van de groepsmens (column)’, Tijdschrift voor Ondernemingsrecht nr. 9, 2004, p. 327
  • Mr. Maatman, ‘Tabaksblat en de botsende doelstellingen’, Tijdschrift voor Ondernemingsrecht nr. 4, 2004, p. 116
  • J.P.H. Donner, ‘Interview met minister Donner over de herziening van het Nederlandse vennootschapsrecht’, Tijdschrift voor Ondernemingsrecht nr. 1/2, p. 2
  • Mr. T.E. Lambooy, ‘Aspecten maatschappelijk verantwoord onderneming in jaarverslag’, Tijdschrift voor Ondernemingsrecht nr. 3., p. 92
  • Prof. mr. L. Timmerman, ‘Gedragsrecht, belangenpluralisme en vereenvoudiging van het vennootschapsrecht’, Tijdschrift voor Ondernemingsrecht nr. 1, 2005, p. 2
  • S.-J. Spanjaard, ‘(Toe)vertrouwen (column)’, Tijdschrift voor Ondernemingsrecht nr. 1, 2005, pag. 1

Arresten:
  • HBG, JOR 2002/28
  • Gucci, JOR 2000/217
  • RNA/Westfield, JOR 2002/82
  • OGEM, NJ 1990, 466

Duurzaamheidsrapporten:
  • Heineken NV, Sustainability report, update 2004
  • ABN AMRO NV, Sustainability report, 2005
  • Rabobank Groep, Maatschappelijk jaarverslag, 2005

Deze bachelorscriptie is, onder begeleiding/mentorschap van mej. mr. Ilse Zaal (juriste bij het Hugo Sinzheimer Instituut te Amsterdam), geschreven door rechtenstudent Yu Wong van den UvA en is afgerond medio juni 2006 te Amsterdam.
© 2006 - 2008 Juzaltbommel, gepubliceerd in Economie (Wetenschap) op 28-10-2006. Het auteursrecht van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van Juzaltbommel is vermenigvuldiging van dit artikel verboden. Meer...

Verwante artikelen


Reageer op het artikel "Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (juridische aspecten)"


Er zijn nog geen reacties geplaatst op dit artikel.