Literatuur en Schrijvers

Schrijver tegen wil en dank

‘Geen enkele schrijver wenst uitgelegd te worden op een manier waar hij het zelf niet mee eens is’. - Willem Frederik Hermans - Schrijven is verbluffen (1972: 9)


Inleiding

Dat ik in mijn onderzoek naar het voorkomen van intertekstualiteit in de Nederlandstalige literatuur meteen aan het oeuvre van Willem Frederik Hermans dacht, zal weinigeen verbazen. Zijn door menig literatuurwetenschapper als beste werk beschouwde roman De donkere kamer van Damokles begint al met een prachtige verwijzing naar Homeros, en dit is meteen ook een verwijzing naar het verdere verloop van de roman zelf.

In deze nota zal dan ook niet de vraag centraal staan of er wel of geen intertekstualiteit te vinden is in de door mij uit zijn gehele oeuvre gekozen eenakter Uitgever Oorwurm, maar hoe de intertekstualiteit in deze tekst functioneert.

Dit zal ik doen door een aantal punten centraal te stellen
  1. Het weergeven van de theorie die over intertekstualiteit is gevormd (H2). Hierbij beperk ik mij tot de secundaire literatuur die ik voor mijn onderzoek van belang acht.
  2. De eenakter Uitgever Oorwurm die ik in deze nota zal analyseren is door Hermans om een bepaalde reden geschreven. Hij was namelijk een man die nooit iets zonder reden deed. Ik denk zelfs dat er een duidelijk aanwijsbare aanleiding is geweest of tenminste door Hermans als zodanig is ervaren. In hoofdstuk drie ga ik van een bepaalde periode rond het verschijnen van de eenakter na welke gebeurtenissen er, gezien de tekst, hebben geleid tot het schrijven - en publiceren- van Uitgever Oorwurm. Ik noem dit de indirecte intertekstualiteit.
  3. Vervolgens zal ik aantonen welke andere tekst er ‘spreekt’ in de tekst van Hermans en wat de functie van dit ‘spreken’ is (H4).

Een mooier voorbeeld van expliciete intertekstualiteit valt naar mijn weten niet uit de Nederlandstalige literatuur te halen. Het medium is in dit verband natuurlijk mooi gekozen, want in drama zijn de personages normaliter constant aan het woord. Dit suggereert dat Hermans heel duidelijk de intertekstualiteit wilde laten zien. Alleen al daarom is het belangrijk om door middel van de indirecte intertekstualiteit het functioneren van intertekstualiteit uit te lichten. Dit expliciteren van intertekstualiteit noem ik de directe intertekstualiteit.

Deze beide (sub)vormen van intertekstualiteit kunnen uiteindelijk niet zonder elkaar. In hoofdstuk vijf beoordeel ik in hoeverre de intertekstualiteit in Uitgever Oorwurm als intertekst functioneert in de gehele eenakter en of die daadwerkelijk goed functioneert.

Vervolgens geef ik in hoofdstuk zes mijn conclusie door middel van het beantwoorden van de centrale vraag en de deelvragen die door mij in het begin van deze inleiding geformuleerd zijn.

Intertekstualiteit: theorie en achtergrond

Om mijn onderzoek naar het voorkomen en functioneren van intertekstualiteit in de tekst van W.F.Hermans zorgvuldig te kunnen uitvoeren, is het van belang om eerst een hoofdstuk aan de algemene theorie te wijden. Naast een paar auteurs die zelf ook een soort algemene theorie schetsen (Mertens en Meyer), behandel ik ook theoretici zelf (Claes, Kristeva en Riffaterre). Deze laatste twee theoretici worden besproken door Geron en ik zal zijn artikel gebruiken om hen te bespreken.

De term intertekstualiteit stamt uit het theoretische jargon van de poststructuralisten aan het einde van de jaren zestig. Al snel werd de term als algemene term van de literatuurwetenschap gebruikt. In de jaren tachtig zijn er veel studies verschenen gewijd aan de term intertekstualiteit om het concept bij een breder publiek te introduceren. In de jaren negentig verandert de focus van theorie naar praktijk: intertekstualiteit als middel van interpretatie en onderzoek naar invloeden gericht op een literair werk. De term is bijzonder populair bij mediëvisten, terwijl de theoretici de term juist bedoeld hadden in universeel toepasbare zin. Eerst Kristeva en Riffaterre, daarna Claes, Mertens en Meijer, omdat Kristeva de belangrijkste grondlegger is geweest van de theorie, Riffaterre die verder heeft uitgediept en daarna Claes, Mertens en Meijer in Nederland de term een verdere dimensie geven.

Julia Kristeva

Zonder te kijken naar de oorspronkelijke visie op wat tekst precies is, kan ook geen goed inzicht worden verleend in wat de term intertekstualiteit precies inhield voordat Julia Kristeva met de term aan de haal ging. Volgens de traditionele opvatting is een tekst: ‘de materiele vastlegging van verbale stof, zonder meer’ (Geron 2003). Volgens de postructuralisten heeft de tekst te maken met de manier waarop er naar de taal gekeken wordt. Dit leidt tot een herziening van de definitie van de term ‘tekst’. Kristeva beziet een tekst als in een relatie staand tot en verwijzend naar gelijktijdige of eerdere communicatieve objecten.

De tekst kan als een translinguïstisch apparaat bepaald worden, wat geschreven staat vindt zijn betekenis al voordat het er staat, namelijk door allerlei achtergronden van en invloeden op het schrijvende subject. De betekenis verliest zijn rol als vaststaand gegeven, en verandert in een dynamisch geheel. Het idee dat elke schrijver beïnvloed is door andere teksten en schrijvers neemt de romantische opvatting weg van de schrijver als genie, die originaliteit hoog in zijn vaandel heeft staan.

Michael Riffaterre

Riffaterre valt als theoreticus het beste onder te verdelen in het structuralistische veld. Zijn visie op het verschijnsel tekst wijkt teveel af van de poststructuralistische visie. Riffaterre ziet een tekst als een op zichzelf staan geheel, waarbij het voorstellingsvermogen van de lezer een belangrijke rol speelt. De auteur en de context zijn minder belangrijk bij het lezen van een tekst dan de ontvanger en de boodschap. De auteur is alleen belangrijk omdat hij sporen in een tekst achterlaat die dan door de lezer herkend moeten worden, je bent in dit opzicht als lezer niet vrij.

Volgens Riffaterre hebben teksten verschillende lagen, er ligt een diepere betekenis die signalen uitzendt. Deze signalen worden opgevangen door de lezer en die zetten de lezer aan tot het zoeken naar deze diepere betekenis. Riffaterre komt met de term hypogram ter aanduiding van het verschijnsel dat literaire tekens naar een op een ander niveau gelegen werkelijkheid verwijzen. Het verschil met de term intertekst is dat in het geval van de intertekst er wordt verwezen naar een corpus van andere teksten.

Paul Claes

De travestie is een genre waarin de handeling in een literair werk is gebaseerd op een structurele allusie. De twee vlakken waarop het verhaal zich in dit genre afspeelt zijn:
1. Het hedendaagse tijdskader en 2. De herhaling van een oudere, vaak mythische, geschiedenis. Er zijn twee varianten: de komische en de niet-komische. In Nederland is de achttiende-eeuwse toneeldichter Pieter Langendijk bekend om zijn aandeel in dit genre.

Van de serieuze variant bestaan talloze voorbeelden, zoals Ulysses van James Joyce. In de Nederlandse literatuur hebben schrijvers als W.F.Hermans en Harry Mulisch dit genre ook gehanteerd. Volgens J.J.White helpt de mythologische allusie om de gebeurtenissen te interpreteren, de opkomst van deze techniek valt volgens White ook samen met het verdwijnen van de auctoriale verteller, die ongeveer dezelfde functie heeft in een literair werk.

Er zijn vijf algemeen aanvaarde indicatoren van de techniek van travestie.
  • De betekenisvolle titel
  • De sprekende naam
  • Attributen
  • Kenmerken
  • Raadselachtige verwijzing

Van de eerste indicator is Joyce’ Ulysses een goed voorbeeld, een ander voorbeeld is Mourning becomes electra van Eugene O’Neill, die hierin het verhaal van Agamemnon en zijn dochter (Electra) moderniseert.

De tweede indicator is al terug te vinden in teksten uit de middeleeuwen, waar de Elcerlyc, Middelnederlands voor iedereen, een voorbeeld van is. De namen hebben een dubbele betekenis: ten eerste verwijzen ze naar een personage, maar ten tweede verwijzen ze naar een andere identiteit die ze opgeplakt krijgen. In Bloemsdag bijvoorbeeld, verwijzen de namen Anton Wachterromans en Meneer Bloem, respectievelijk naar de reeks van Simon Vestdijk en naar James Joyce. Op de tweede zou het bijna een parodie genoemd kunnen worden.

In de iconologie is de derde indicator, door middel van attributen, al een veel gezien en gebruikt middel om aan te tonen dat er bijvoorbeeld een godheid, apostel of de heilige maagd afgebeeld wordt. De meteorieten in de roman Nooit meer slapen van Willem Frederik Hermans kan zowel gezien worden als moedersymbool als een soort graalqueeste. Als op een raadselige, niet overduidelijke manier, naar details wordt verwezen, die op hun beurt weer naar verborgen overeenkomsten wijzen, kan er sprake zijn van de vierde indicator van de structurele allusie of travestie.

In Bloemsdag van Bindervoet en Henkes wordt op een leuke manier naar de omgeving verwezen. Hiervan citeer ik twee voorbeelden: ‘In de vangnetten van een voetbalveldje gewijd aan de Olympus. Opgeslokt door Van Heutsz’. (Bindervoet en Henkes 2004). Hier wordt gerept over een voetbalveldje op het Olympiaplein waartegenover een monument staat ter ere van Van Heutsz. Even later lezen we het volgende: ‘Een sigaretje onder de poort tussen de rokende leerlingen. In het eerste vredesjaar.’ (Bindervoet en Henkes 2004) Hier staat de schrijver onder de poort van het Amsterdams Lyceum waar met gouden letters op gedrukt staat: ‘In het eerste vredesjaar’. Deze school werd namelijk in 1917 gebouwd en was af in 1918. De laatste indicator wordt de mise-en-scène genoemd, een term die in de Franse literatuurtheorie wordt gebruikt voor een deel van een oeuvre dat op kleine schaal de thematiek van het geheel beschrijft. Ten slotte de problemen bij het herkennen van travestie. Omdat cryptische verwijzingen geregeld voorkomen zijn de vijf beschreven indicatoren handig om te kunnen bepalen of er sprake is van deze stijlvorm of niet. Het structuralisme beschouwt alleen de tekstversterkende allusies als relevant, het deconstructionisme beschouwt elk tekstelement als een potentiële allusie.

Anthony Mertens

Schrijvers kunnen op verschillende manieren naar bestaande literaire werken verwijzen. De titel is een manier van verwijzen die veelvuldig wordt gebruikt. Naast verwijzen, kunnen schrijvers ook citeren uit bestaande literaire werken, dan wel letterlijk of in eigen woorden of verdraaid. Dit, zowel opzettelijk als onopzettelijk, verwijzen staat bekend als intertekstualiteit, maar omopzettelijke verwijzingen komen ook voor. De opvatting die aan deze term ten grondslag ligt is dat een literair werk niet gelezen kan worden zonder kennis van andere literaire werken. Hoewel de term niet zo oud is, is de bezgheid waar hij naar verwijst al van alle tijden. In de middeleeuwen al was het doodnormaal om de eigen kwaliteit te laten zien door het nabootsen van bestaande werken, en in de Renaissance ging dit nog verder.

Toen de term intertekstualiteit geintroduceerd werd, hadden de theoretici een bepaalde omgang met taal voor ogen die kenmerkend was voor wat zij als intertekstualiteit zagen. Ze legden er de nadruk op dat de term niet als bronnenonderzoektechnisch hulpmiddel was bedoeld en ook niet om te bepalen welke invloeden uit welke stromingen op bepaalde schrijvers naar de oppervlakte konden komen. De belangstelling die de laatste vijftien jaar is ontstaan voor de term intertekstualiteit uit zich in het grote aantal studies dat erop gericht is de verwijzingen die in literaire werken te vinden zijn na te trekken. Motivaties om intertekstualiteit als aspect van de literatuur in het algemeen te zien zijn onder andere dat het zou gaan om bewerkingen van de omgangstaal, literaire verschijnselen als woordspeling, ambiguiteit, ambivalentie en metaforiek moeten als intertekstuele verschijnselen worden bestudeerd, door de verdichting en vermenging van talige contexten.

Volgens andere benaderingen moet intertekstualiteit bezien worden binnen het concept waarin de schrijver als lezer wordt gezien en de literatuursociologe ziet de tekst weer ‘als een plaats waar verschillende sociale groepen hun stem laten horen’ (Mertens 1990:4).

Kristeva gebruikte de term in een artikel over de opvatting van de Russische formalist Bachtin. Bachtin bestudeerde het dialogische en polyfone karakter van teksten. Dialogische teksten zijn teksten waarin de schrijver een dialoog voert met iemand die niet in de tekst zelf voorkomt, polyfonie is meerstemmigheid, eigenlijk wat nu intertekstualiteit heet. Naast de studies van Bachtin zijn die van De Saussure, de grondlegger van de structurele linguistiek, van belang geweest voor haar onderzoek. De Saussure zag verborgen woorden in teksten uit de Indische en klassieke literatuur. Naast deze invloeden was ook Freuds analyse van dromen een inspirator voor Kristeva. Zoals Freud dromen analyseerde, zo konden teksten ook geanalyseerd worden, kijken hoe teksten betekenden. Kristeva zocht naar niet bewust uitgezonden signalen die in een tekst verborgen lagen. Kristeva introduceerde het termenpaar phenotekst en genotekst De fenotekst volgt de regels van de grammatica, en erop gericht om informatie op een ondubbelzinnige manier over te dragen. In de fenotekst sluimeren verwijzingen naar de genotekst. Het gaat daarbij om onbewuste taaluitingen, die onbewust betekenissen met zich mee dragen.

Maaike Meijer

Meijer bespreekt het begrip intertekstualiteit in een breder kader: ze gebruikt het om de methodiek van feministische cultuuranalyse te ondersteunen. Het is niet raar dat ze zich meer aangetrokken voelt tot de methodiek van Kristeva dan tot Riffaterre, aangezien hij het begrip alleen maar vernauwd heeft. Binnen de ‘school’ van Kristeva kiest ze Bakhtin als grond van haar uiteenzetting, aangezien Kristeva haar opvattingen grotendeels aan Bakhtin heeft ontleend. Meijer maakt een driedeling in niveaus waarop intertekstualiteit kan voorkomen.

Het eerste niveau is het niveau waarop er een grap met de ‘andere’ tekst wordt uitgehaald: het verhaal wordt verdraaid met een bedoeling. Dit niveau is het niveau van de transpositie. Het volgende niveau is dat van de soort tekst. Meijer bespreekt als voorbeeld een sonnet van Driek van Wissen. Op dit tweede niveau voldoet dit gedicht aan de eisen van een sonnet. Op het derde niveau, dat van de resonanties, maakt de tekst deel uit van ‘algemene conventies van representatie en cultureel ingeburgerde wijzen van zien en denken’. (Meijer 1995:33)

Meijer ziet haar theorie meer als lees- dan als teksttheorie, helaas brengt dat een hoge mate van subjectiviteit met zich mee. Veel hangt dan namelijk af van de lezer.

De indirecte intertekstualiteit

Tussen eind december 1945 en begin januari 1961 onderhouden Willem Frederik Hermans en Geert van Oorschot een briefwisseling en een moeizame vriendschap. Beide lopen in 1961 ten einde als Van Oorschot een vierde druk van De tranen der Acacia’s wil uitgeven. In de daaropvolgende periode schrijft Hermans zijn eenakter Uitgever Oorwurm.

In dit hoofdstuk bespreek ik wat naar mijn mening de belangrijkste gebeurtenissen zijn die hebben geleid tot het schrijven van die eenakter. De periode die ik bespreek loopt van oktober 1960 tot december 1962. Ik hoop hiermee inzicht te geven in de achterliggende gedachte die uit de tekst spreekt.

Bij verwijzingen naar passages uit de brieven gebruik ik de volgende methode. VO staat voor de bundel brieven die Van Oorschot aan Hermans schreef, Hierbij de hele God in proef, het getal erachter voor het paginanummer waarop de desbetreffende passage te vinden is. Bijvoorbeeld VO 223 staat voor pagina 223 van Hierbij de hele God in proef. Voor de brievenbundel van Hermans aan Van Oorschot gebruik ik de afkorting WFH gevolgd door het paginanummer. Dus bijvoorbeeld WFH 275 verwijst naar pagina 275 van Je vriendschap is werkelijk onbetaalbaar.

De indirecte intertekstualiteit
De ruzie tussen Hermans en Van Oorschot wordt serieus in oktober 1960. Hermans is tegen het uitbrengen van De tranen der Acacia’s in een goedkope publieksreeks, De witte olifant. Van Oorschot meent dat hij de toestemming van Hermans niet nodig heeft, aangezien hij het recht van uitgave heeft. Dit speelt als De tranen der Acacia’s aan zijn vierde druk toe is, en dat betekent een nieuw contract dat door Van Oorschot wordt opgesteld. Hermans is het hier echter niet mee eens en stuurt Van Oorschot, die dreigt met het uitgeven van de vierde druk naar de voorwaarden van de derde druk, een nieuw contract waarbij het grootste verschil zijn honorarium is. Van Oorschot weigert op zijn beurt akkoord te gaan met de veranderingen die Hermans heeft aangebracht, omdat deze hiermee het drukproces vertraagt en Van Oorschot zo extra kosten bezorgt. Deze extra kosten wil Van Oorschot op Hermans verhalen, maar Hermans pareert dit door te stellen dat het de schuld is van Van Oorschot omdat hij een slecht contract heeft opgesteld.

Hermans wilde altijd bij een volgende druk de oude druk controleren. Nu weigert hij om de correcties op te sturen zolang Van Oorschot zijn contract voor de vierde druk niet aanpast. Hermans had Van Oorschot voorgesteld om de derde druk eerst uit te verkopen en dan een normale vierde druk te beginnen, maar in een brief van Hermans van 5 september 1960 komt Hermans meerdere malen tot de conclusie dat Van Oorschot de normale vierde editie helemaal niet wil brengen. Hij wil het restant van de derde druk gewoon snel kwijtraken door die in een goedkope uitgave te stoppen en vervolgens de volgende druk te bezorgen door gewoon de derde druk te fotokopiëren, dit zou aanzienlijk goedkoper zijn voor Van Oorschot. Van Oorschot schrijft als verklaring voor zijn weigeren dat het bij een geheel nieuwe druk te lang zou duren eer er schot in de verkoop zou komen. De vierde druk komt er uiteindelijk toch zonder de correcties van Hermans, en in de goedkope publiekseditie. Over een passage uit de brief van Van Oorschot van 29 augustus 1960 (VO 223) maakt Hermans zich bijzonder druk (WFH 275). Van Oorschot schrijft dat hij bereid is om met ‘tot het redelijke beperkte’ wijzigingen rekening te houden mits die voor 3 september in zijn bezit zijn. Hermans reageert hier heel verbolgen op: alsof de uitgever de mate van redelijkheid van zijn correcties kan beoordelen.

De tweede grote kwestie handelt over het betalen van literaire agenten. Van Oorschot wil de literaire agente die een vertaling van De donkere kamer van Damokles in het buitenland mogelijk heeft gemaakt, deels betalen uit het bedrag dat Hermans contractueel gezien toekomt. Van Oorschot heeft de literaire agente aangetrokken zonder medeweten noch toestemming van Hermans. Hieruit concludeert Hermans dat de kosten hiervoor door de uitgever betaald dienen te worden. De uitgever heeft namelijk alleen recht op een deel van de opbrengst uit buitenlandse uitgaven als deze uitgave door zijn bemiddeling tot stand komt. Als dit gebeurt doordat de uitgever een literaire agent inschakelt, verandert dat niets aan de zaak. Deze bepalingen zijn allemaal afkomstig uit Je vriendschap is werkelijk onbetaalbaar (pag. 6-8), en komen voor in het contract tussen uitgever en auteur voor de derde druk van De tranen der Acacia’s. Dit was overigens een standaardcontract. Van Oorschot zwicht, maar merkt op dat Hermans hem had gevraagd de optie van de literaire agent te verlengen. Hermans reageert hier op 25 oktober (WFH 286) op door te zeggen dat de literaire agente binnen de eerste termijn succes had geboekt, en dat Van Oorschot verplicht was de optie te verlengen. Daar heeft Hermans hem enkel op gewezen. Hermans was achterdochtig, hij denkt dan ook dat Van Oorschot enkel zo moeilijk doet over de betaling van de literaire agent om de aandacht van de vierde druk van De tranen der Acacia’s af te houden.

De directe intertekstualiteit

Zoals ik in de inleiding al gezegd heb, is een toneeltekst bij uitstek geschikt voor het naar buiten brengen van een standpunt, dus ook bruikbaar voor het expliciteren van een intertekst. Dit expliciteren dient dan ter ondersteuning van het standpunt.

De directe intertekstualiteit
In Uitgever Oorwurm wordt Molières De Misanthroop op twee manieren geëxpliciteerd.
  • De hoofdpersoon uit Uitgever Oorwurm heet Alceste en is een dichter, zoals de hoofdpersoon uit het toneelstuk van Molière.
  • Alceste zegt dat hij vernoemd is naar de gelijknamige hoofdpersoon van Molière: ‘Alceste is een dichter die altijd de waarheid spreekt, die als hij een slecht gedicht hoort, ronduit zegt dat het slecht is’ (Hermans 1962).
In de tekst van Hermans wordt hier naar verwezen wanneer uitgever Oorwurm Alceste een gedicht voordraagt en wil weten wat Alceste er van vindt. Alceste laat duidelijk blijken dat hij het gedicht vreselijk vindt, net zoals de Alceste van Molière. De eenakter is te kort om nog meer naar Molière te verwijzen dan dat Hermans al doet, en ik denk ook dat de verwijzingen expres zo minimaal zijn, omdat ze toch al erg expliciet zijn.

Als voorzichtige eerste conclusie denk ik te kunnen zeggen dat de directe intertekstualiteit een minder belangrijke functie heeft dan de indirecte intertekstualiteit. In het volgende hoofdstuk zal ik meer zeggen over die functie en daarna tot mijn uiteindelijke conclusie komen

Het functioneren van de intertekstualiteit

In dit hoofdstuk zal ik ingaan op het functioneren van intertekstualiteit in Uitgever Oorwurm. Ik zal dat doen door te beschrijven welke passages er onder andere verwijzen naar de relatie tussen Hermans en Van Oorschot.

Uitgever Oorwurm praat aan een stuk door, klaagt over zijn moeilijke jeugd, wil graag vrienden zijn met zijn dichter. Van Oorschot wilde de schrijvers uit zijn fonds ook altijd als vrienden zien, in meerdere brieven tussen Hermans en Van Oorschot komt dat terloops ter sprake.

Op een geven moment vertelt uitgever Oorwurm dat hij in geldnood zit omdat hij vijf auto’s in de vernieling heeft gereden, en daarom een geldprijs die Alceste heeft verdiend maar gedeeltelijk aan hem geeft. Hij vindt namelijk dat Alceste zijn succes aan hem te danken heeft. De zoon van Van Oorschot had een tijdje voor het uitkomen van de eenakter vijf auto’s de vernieling in gereden, waardoor Van Oorschot Hermans een deel van zijn honorarium niet kon betalen. Ook was, zoals ik eerder heb beschreven, een van de belangrijkste oorzaken van het stuklopen van de vriendschap, het feit dat Van Oorschot moeilijk deed over betalingen.

Oorwurm zegt tegen Alceste dat het een auteur uit zijn fonds nog nooit is gelukt een literaire prijs in de wacht te slepen. Alceste zegt dat dat komt omdat Oorwurm alleen maar dode schrijvers in zijn fonds heeft zitten. Van Oorschot is bekend om de verzamelde werken van bekende auteurs, later zijn daar zowel de Russische als Franse bibliotheek bij gekomen, ook schrijvers die al dood zijn en door Van Oorschot van de vergetelheid gered.

De functie van de intertekstualiteit in Uitgever Oorwurm dient in het geval van Hermans maar één doel: kritiek leveren op de manier waarop hij door Van Oorschot behandeld is. Hij zet een personage neer dat duidelijk op Van Oorschot is gebaseerd, een personage dat op zichzelf is gebaseerd (hij verromantiseert zichzelf ook), en hij bouwt er op een voor zijn stijl typische manier een enscenering omheen, waarin hij gebeurtenissen uit het tijdsbestek verwerkt. Ook verwerkt hij zijn persoonlijke moeilijkheden met Van Oorschot in de eenakter. Het feit dat Oorwurm bijvoorbeeld komt binnenvallen, letterlijk met de deur in huis, kan ook verwijzen naar het gedrag van Van Oorschot. Hij kwam namelijk wel eens onaangekondigd bij Hermans op bezoek, en daar spreekt Hermans dan weer in een brief zijn ongenoegen over uit.

De Alceste van Hermans is niet bezig om de hele tijd af te geven op de mensheid, daarom denk ik dat de intertekst slechts bedoeld is om op het gevoel van isolement te wijzen dat Hermans had: hij stond alleen tegenover de wereld en kon niemand vertrouwen.

Conclusie

Hoe functioneert de intertekstualiteit in de eenakter van Hermans? Dat was de vraag die ik in de inleiding centraal heb gesteld. Willem Frederik Hermans was een belezen man. Dit blijkt al uit de hoeveelheid literaire en niet-literaire werken die hij bij Van Oorschot in de tijd van hun briefwisseling bestelde.

Het feit dat hij met een scherpe pen met zijn literaire vijanden afrekende vergrootte zijn vijandengroep alleen maar, en uiteindelijk zal hij het idee hebben opgevat alleen tegenover een groep te staan. Hierna ontstonden de problemen met Van Oorschot, met hem besloot Hermans op een andere manier af te rekenen. Het medium dat hij koos was de eenakter, daarin kon Hermans zich gemakkelijk vergelijken met de Alceste van Molière, en Van Oorschot neerzetten zoals hij wilde. Dit had hij natuurlijk ook kunnen doen zonder het medium drama te gebruiken, maar doordat hij het verhaal in deze context plaatste, benadrukte hij eigenlijk de achterliggende gedachte, het hypogram zoals Riffaterre het zou zeggen.

Deze eenakter is met de theorie van Riffaterre te begrijpen. Hermans verwijst inderdaad constant met signalen die ik in H5 heb opgesomd naar een op een dieper niveau liggende werkelijkheid. Om die signalen te begrijpen moet je in dit geval alleen wel iets meer van de auteur weten, die is wel meer dan alleen iemand die sporen uitzet. Ook de context speelt een aantoonbaar belangrijkere rol dan Riffaterre die heeft toebedeeld.

Riffaterre zag de lezer en de boodschap als belangrijker dan auteur en context, maar ik denk dat in het geval van Hermans deze theorie niet helemaal opgaat in de zin dat in dit geval de auteur en de context boven de boodschap staan en daar weer onder de lezer. De context bepaalt in dit geval de boodschap en de lezer kan die opmerken of niet. Hierboven staat de alwetende auteur, bij Hermans staat geen tekst op zichzelf, de auteur is de baas.

Als je de eenakter op de drie niveaus van Meijer zou bekijken zou het eerste niveau duidelijk te herkennen zijn. Het toneelstuk van Molière heeft een hiervoor besproken draai gekregen. Op het tweede niveau zijn de conventies van het genre duidelijk aanwezig. De naam van de personages staan boven de tekst die ze uitspreken, de tekst bevat regieaanwijzingen, enz. Op het derde niveau wordt De Misantroop van Molière gebruikt om te verduidelijken wat de positie van Hermans is als auteur in de tegen hem gekeerde literaire wereld.

Schrijver tegen wil en dank, een betere omschrijving kan ik niet bedenken.
© 2008 Gortzak, gepubliceerd in Onderzoek (Wetenschap) op 20-06-2008. Het auteursrecht van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van Gortzak is vermenigvuldiging van dit artikel verboden. Meer...

Verwante artikelen

Bronnen en/of referenties

  • Molière, De Misantroop, 1666.
  • Waarschuwing, In: Podium 16(1961-1962) 1 (oktober 1961) p.3
  • Tweede Waarschuwing tegen Van Oorschot, In Podium 17(1962-1963) 3 (december 1962) p.141-142
  • Repelsteeltje contra Hermans, In: Vrij Nederland 3 februari 1962
  • G. Luyendijk en A.G.J. Baeten; Gesprek met Hermans, In: Bourgond 1(1961-1962) 8-9 (30 maart 1962) p.20-30
  • Uitgever Oorwurm, In: Podium 16(1961-1962) 6 (maart 1962) p.241-252. T
  • Rob Delvigne en Frans A. Janssen; Schrijven is verbluffen; Bibliografie van de verspreide publicaties van Willem Frederik Hermans; Amsterdam, 1972
  • Paul Claes: ‘De travestie’. In: Claes, Echo’s echo’s. De kunst van de allusie. 1988, pp. 123-134.
  • Anthony Mertens: ‘Intertekstualiteit’, in: Intertekstualiteit in theorie en praktijk. A. Mertens en K. Beekman, 1990, pp. 1-24
  • Brillenburg-Wurth en Rigney: Het leven van teksten. Een inleiding tot de literatuurwetenschap. pp. 88-110.
  • Maaike Meijer: ‘Intertekstualiteit’, in: In tekst gevat, Amsterdam 1996, pp. 18-37.
  • Gert de Jager : ‘Spoken in de dwaaltuin’. Lucebert en de verleidingen van de intertekstualiteit’. In : Neerlandistiek.nl (1), afl. 7, 2001, p. 1-22. online : www.neerlandistiek.nl/01.07/
  • Pierre Geron : L’intertextualité sans peine? Echo’s van Kristeva’s intertekstualiteitbegrip in de neerlandistiek. In: Nederlandse letterkunde jrg. 8. nr. 4. december 2003, pp. 302-319.
  • Pierre Geron: L’intertextualité sans peine? Michael Riffaterres poëzie-analyse en zijn receptie in de neerlandistiek (II) –In: Ned. Letterkunde, jrg. 9, nr. 1, febr. 2004, pp. 34-53.
  • Willem Frederik Hermans, Je vriendschap is werkelijk onbetaalbaar; brieven aan Geert van Oorschot; Amsterdam, 2004
  • Bindervoet en Henkes, Bloemsdag, De Harmonie, Amsterdam 2004.

Reageer op het artikel "Schrijver tegen wil en dank"


Er zijn nog geen reacties geplaatst op dit artikel.