Onderzoek en Kunstmatige Intelligentie

Zullen wij de evolutie een handje helpen?

De techniek staat niet stil. Wordt het menselijk brein straks aangevuld met chips? Wordt de mens helemaal gedigitaliserd? Filosofen waarschuwen ons. Een mens is wellicht meer dan een hoopje tot leven gekomen materie.


Inleiding

“Will robots inherit the earth?”
Voor mij ligt een artikel van Marvin Minsky, een autoriteit op het gebied van computers en “kunstmatige intelligentie”. Het artikel verscheen in oktober 1994 in The Scientific American. In de jaren 60 van de 20e eeuw is “kunstmatige intelligentie” een hype: het idee dat menselijk denken kan worden gereduceerd tot logisch redeneren. Er worden een parallellen gelegd tussen neuronen, menselijk brein en binaire schakelelementen van computers……. In boeken en films speelt men met de fantasie rond op hol geslagen computers die een eigen leven gaan leiden en een ongecontroleerde intelligentie ten toon spreiden buiten het menselijk brein om. Op dat moment is het fantasie: science fiction. Maar wordt dit werkelijkheid in de toekomst? In 1996 houdt Marvin Minsky een lezing in Nara, Japan. Hij merkt daar op dat het binnenkort mogelijk zal zijn om menselijke herinneringen aan het brein te onttrekken en deze op diskette te bewaren. Katherine Hayles, auteur van “How we became posthuman” (1999) concludeert uit de woorden van Minsky: “Als we één kunnen worden met de informatie die we hebben geconstrueerd, dan kunnen we onsterfelijk worden”.

In 1988 beweerde Minsky reeds dat wanneer computers de menselijke intelligentie gaan evenaren we een belangrijke grens zullen bereiken: “machines zullen zichzelf onderricht geven en binnen enkele maanden het niveau van een genie bereiken . Een paar maanden later zal hun macht onmetelijk zijn. Als we geluk hebben zullen ze besluiten ons in leven te laten als huisdieren” (Maas 1988:54).

Nieuwsgierigheid en verwondering, alsmede vragen en ontevredenheid rond de onvolkomenheid, de beperktheid en eindigheid van ons biologisch bestaan als een manco-ervaring (zie verder onder punt 3) zijn ongetwijfeld de drijfveren van wetenschappers die zich bezig houden met het verschijnsel kunstmatige intelligentie en daarmee dus ook van Marvin Minsky.
Evenals vele eeuwen lang filosofen hebben nagedacht over wat de mens is en hoe de mens ‘op een hoger plan’ kan komen, verlicht kan worden, of hoe dit ook benoemd wordt in filosofische termen (we komen er later op terug) houdt Minsky zich bezig met de mens: hoe kan deze zijn tekortkomingen overstijgen, zich ontwikkelen en….. verder evolueren.

Vanuit welk mensbeeld construeert iemand als Marvin Minsky zijn ideeën en gedachten? Vanuit welk filosofisch perspectief denkt hij en kunnen we daar enig vat op krijgen? Denkt hij eigenlijk wel vanuit enig filosofisch perspectief? En ook de vraag: is het straks nog wel nodig, c.q. mogelijk om vanuit een bestaand mensbeeld de ontwikkelingen die men zich voorstelt te blijven volgen? Moeten wij in de toekomst uiteindelijk niet een totaal ander mensbeeld gaan ontwerpen? En op welk filosofisch wereldbeeld berust ‘kunstmatige intelligentie?’
Laten wij hier eens nader op ingaan.

Marvin Minsky

“Will robots inherit the earth?”

Voor mij ligt nog steeds bovengenoemd artikel. Minsky concludeert erin dat ons biologische leven wordt begrensd, hetgeen ons allen bekend is, of om met de woorden van Arnold Gehlen te spreken: “De mens is een biologisch tekortschietend wezen”.
Er zijn ziektes die ons plagen, er is slijtage en uiteindelijk stopt het functioneren van het lichaam met de dood, die als het ware is ingebouwd: onze levensduur is beperkt. Ziektes kunnen evenwel bestreden worden. Sommige lichaamsdelen kun je zelfs vervangen door iets kunstmatigs en andere zijn weer te transplanteren, zoals bijvoorbeeld de nieren en zelfs het hart. Ook op het gebied van ziektes die ons via de genen hinderen, waarmee we zogezegd erfelijk belast zijn, zijn er goede vooruitzichten: we kunnen die “kwade genen” in de toekomst mogelijk vervangen of repareren, en dat opent vele perspectieven. We zullen uiteindelijk in staat zijn “defecten” te repareren die ons leven in veel gevallen zo kort maken en lastige erfelijke ziektes zoals bijvoorbeeld ‘dementie’ uit kunnen bannen, door in een vroeg stadium het verantwoordelijke gen te herstellen of gewoon te vervangen.

Maar, hoe zit het nu eigenlijk met de hersenen? Kunnen die ook op dezelfde wijze’ als andere lichaamsdelen geheel, of zonodig gedeeltelijk worden vervangen, al dan niet met behulp van kunstmatige onderdelen of transplantaties? Of, en dat is weer iets anders, kunnen de hersenen op enigerlei wijze worden ‘gemanipuleerd’, desnoods met behulp van nanotechnologie?
En nog een vraag: Hoe zouden we de capaciteit van onze hersenen kunnen vergroten? Het is immers bekend dat wij een groot deel van onze hersenen niet gebruiken. En kunnen wij onze hersencapaciteit vergroten met behulp van kunstmatige intelligentie als een soort verlengstuk van onszelf? Dat vervangen en transplanteren op het gebied van de hersenen zal niet zo eenvoudig zijn. Minsky zegt er in voornoemd artikel het volgende over:

But when it comes to the brain, a transplant would not work. You cannot simply exchange your brain for another and remain the same person. You would lose the knowledge and the processes that constitute your identy..

We zien in dit citaat dat Minsky zich terecht realiseert dat een mens meer is dan eenvoudigweg een verschijnsel van biologische functioneren: een mens is meer dan een machine! Hij veronderstelt een persoonlijkheid, iets dat de identiteit van een individu bepaalt en zich gedurende een mensenleven laat vormen.

Begrijpen en redeneren is een basiselement van de menselijke geest: het zien van samenhang, flexibel denken, het geweten, het opdoen van kennis, verbanden leggen, etc. Machines bezitten zulks niet, aldus concludeert Minsky. Computers begrijpen dan ook vooralsnog niet wat ze doen. Mensen kunnen alles op verschillende manieren bekijken en beredeneren en een computer kan dat niet. Voor begrip acht Minsky meer kennis nodig dan het op één manier kunnen denken (je moet dingen van verschillende kanten en op verschillende manieren kunnen benaderen). Hij stelt dan ook terecht de vraag: Hoe kunnen wij de computer leren redeneren volgens gezond verstand i.p.v. logisch redeneren? En stel dat zulks geschiedt; hoe houden we in de toekomst dan de controle op deze ‘denkende’ machines en wat zullen deze machines die hoe dan ook onze “geesteskinderen” zullen zijn, bevatten aan kennis? Dit lijken mij buitengewoon zinvolle vragen omdat de visie op wat de mens nu eigenlijk is volgens mij het doen en laten van de wetenschapper die zich met kunstmatige intelligentie bezighoudt dient te bepalen, immers: het is en blijft ten allen tijde die mens met al zijn huidige beperkingen die aan het bestaan van ‘kunstmatige intelligentie’ voorafgaat. Het is de mens die bepaalt hoe en op welke wijze we zullen ontsnappen aan onze biologische beperkingen, de mens die bepaalt “hoe de evolutie op dit gebied zal worden voortgezet”!
In de laatste zin van zijn artikel maakt Marvin Minsky hieromtrent een belangrijke opmerking:

Will robots inherit the earth? Yes, but they will be our children. We owe our minds to the deaths en lives of all the creatures that were ever engaged in the stuggle called evolution. Our job is to see that all this work not end up in meaningless waste.

Samenvattend zouden we over het mensbeeld van Marvin Minsky het volgende kunnen zeggen: de biologische beperktheid ervaart hij als een probleem, evenals de intellectuele ‘begrensdheid’. Het zoeken naar mogelijkheden om die beperktheid te doorbreken is zijn intentie. Minsky wil dat de mens zich ontwikkelt, dat hij vooruitgaat: kortom, een beter, gezonder en langer leven krijgt. Wanneer we dan uitkomen bij kunstmatige intelligentie bezorgt ons dat een grote verantwoordelijkheid t.o.v. de hele schepping: we kunnen niet zomaar experimenteren of zomaar iets doen! En dat laatste is iets terdege rekening mee te houden.

Van de filosofische kant bekeken

De menselijke beperktheden, de manco-ervaring, de tragiek van onze tijdelijkheid: allemaal waar. Het is dan ook de basis om te komen tot een sterk aangezet dualisme tussen lichaam en geest, het haperende lichaam en de geest die de kiem van voortreffelijkheid in zich meevoert. En verder doorgeredeneerd: de bedrieglijke aard van zintuiglijke kennis en het vermogen van de geest om door de verhullende mantel van de verschijnselen de geestelijke waarheid te zien gloren: jawel meneer Plato, meneer Kant en zelfs u meneer Descartes.

Marvin Minsky zoekt ‘vooruitgang’ en ontwikkeling van de mens. Hij komt, hoe zou het ook anders kunnen in onze tijd, terecht bij de computer en kunstmatige intelligentie. Nochtans zou ik hem bijna de woorden van Plato in de mond willen leggen: hij zoekt bevrijding van de ziel uit de onwetendheid en een mindere werkelijkheid vol schaduwen. (Plato ziet het immers als taak van de filosofie om de ziel zich bewust te laten worden van haar vermogen tot ideeënschouwing door haar te bevrijden van de geketendheid aan het lichaam, d.w.z. van de “boeiende” zintuiglijkheid). In de ‘Politaia’, Plato’s grote werk over de staat, wordt de filosofie voorgesteld als de kunst der dialectiek, die zich bezig houdt met het opsporen van de ideeën, de oorspronkelijke beelden van de geest . Van de filosofie wordt nadrukkelijk gezegd dat zij een methamorfose van de ziel bewerkstelligt: uit een soort nacht naar de werkelijke dag; het opstijgen tot het Ware Zijn.

Van Plato nemen wij een sprong in de tijd naar Emanuel Kant, voor wie de filosofie een geestes-houding is, een instrument van verlichting, maatschappelijke bevrijding en religieuze vooruitgang. Deze sprong lijkt mij alleszins gerechtvaardigd, want Kant is iemand die zich, evenals Marvin Minsky, diep bewust is van de eindigheid van de menselijke kennis. Wij kennen de dingen zoals ze zich aan ons voordoen en het “Ding an sich” (de ‘ware werkelijkheid’ zou de fenomenoloog zeggen), is voor ons onkenbaar. Alweer die beperktheid dus!

Een kort citaat van E.Kant:
Zonder zintuiglijkheid zou ons geen voorwerp gegeven en zonder verstand geen voorwerp gedacht worden. Gedachten zonder inhoud zijn leeg, aanschouwingen zonder begrippen zijn blind.

Dit citaat van Kant laat ons zien dat de voorwerpen die wij aanschouwen zich richten naar de begrippen en de beginselen van ons verstand en de a-priorivormen van het voorstellingsvermogen. De kennis richt zich dus niet passief naar de dingen, er is een wederzijdse betrokkenheid volgens Kant: we hebben er ergens al een idee van. Een computer daarentegen kun je vol stoppen met feiten en gegevens: het apparaat slaat ze op, bewaart ze en reproduceert ze wanneer wij zulks nodig achten (de computer werkt zo ongeveer volgens de afbeeldingstheorie). De menselijke geest echter heeft al talloze ervaringen opgedaan en van daaruit ontstaat een wisselwerking met hetgeen ‘gekend kan worden’.

Wanneer we Marvin Minsky horen spreken over “machines” dan komen we uiteraard bijna onvermijdelijk terecht bij de filosoof René Descartes (1596-1650). Descartes denkt vanuit de mens, die als heer en meester tegenover de natuur staat. Hij zoekt naar een vaste fundering van kennis en wetenschap en ziet in de wiskunde een uitstekend model voor zijn filosofie.
Descartes heeft wat je noemt een uitgesproken dualistisch wereldbeeld. Hij ziet lichaam en geest als onafhankelijke substanties. Menselijk lichaam en stoffelijke wereld zijn wezenlijk gescheiden van het “denkende ik”. Geest (res cogitans en materie (res extensa) kunnen bestudeerd worden zonder de ander daarin te betrekken (cartesiaans dualisme). Descartes sprak in zijn tijd al over het menselijk lichaam als een machine. Hoe ziet en beschrijft hij bijvoorbeeld de werking van het hart? Inderdaad, als een motor of een uurwerk. Dieren bijvoorbeeld ziet hij louter en alleen als machines : er is geen verschil. Ik citeer daarom uit deel V van zijn discours de la mêthode de volgende zeer opmerkelijke zinsnede:

Ik wil aantonen dat zulke machines als zij het uiterlijk van een aap of ander redeloos dier zouden vertonen, door ons op geen enkele wijze van het echte dier zouden kunnen worden onderscheiden.

Wanneer een machine echter op een mens zou lijken (ook het menselijk lichaam ziet hij zoals wij al zagen als niets anders dan een machine) dan zou daar toch iets belangrijks aan moeten worden toegevoegd, namelijk wat Descartes ziet als het onderscheid tussen mens en dier, te weten:
Taal en communicatie.
Het handelen op grond van inzicht.


En dan zegt Descartes ook nog dit: “ik ben een onvolmaakt wezen! Ik weet dat omdat iets in mij het beeld van volmaaktheid heeft gelegd. Dat heb ik niet van mezelf, ik heb dat van God. En God is een aangeboren idee”. En dat onvolmaakte wezen, het moge duidelijk zijn, vinden we toch weer terug bij Marvin Minsky die de mogelijkheid heeft er de kennis en ontwikkeling van zijn eigen tijd ‘op los te laten’.

Tegenover het denken van Descartes vinden wij de fenomenologie die kritiek heeft op het lichaam/ziel dualisme, op de thematisering van kennis als een correspondentie tussen voorstelling en een in zichzelf besloten ‘ware werkelijkheid’, het cartesiaanse monopolie van de natuurwetenschap op objectieve kennis en de bevestiging van het bewustzijn als een lichaamloos denkend ding. De werkelijkheid houdt zich, aldus de leer van de fenomenologie, schuil achter de verschijnselen. Over een werkelijkheid die mij nooit verschijnt kan ik niets zeggen. Het enige belang en interessante is dat deze werkelijkheid ons verschijnt als fenomeen. Het zijnde wordt als het ware tussen haakjes gezet en we spreken van: fenomenologische reductie: We blijven als het ware een stap voor Descartes staan .

Volgens Edmund Husserl (1859-1938), de geestelijke vader van de fenomenologie, is bewustzijn een functie, intentionaliteit genoemd en gericht op dat wat het zelf niet is, op het fenomeen, hetgeen hij een onontbeerlijk uitgangspunt noemt voor de fenomenologie. Het bewustzijn staat bij Husserl centraal en de vraag die hij daarbij stelt is: “Hoe verschijnt de wereld aan het menselijk bewustzijn?” En van dat bewustzijn wil hij de structuur onderzoeken. Of er buiten dat menselijk bewustzijn iets is acht hij irrelevant.Husserl spreekt over fenomenologische reductie (eidetische reductie), waarmee hij zeggen wil dat men bij het onderzoek naar de structuur van het menselijk bewustzijn moet afzien van het al dan niet bestaan van ‘bewustzijnsobjecten’. Wat er overblijft na genoemde reductie zijn de bewustzijnsfenomenen van waaruit de wereld wordt bekeken en ervaren.

De naturalisering van het mensbeeld (die al bij Descartes begint) maakte een eigen statuut van de menselijke zijnswijze steeds moeilijker en problematischer. Het zijn met name Helmut Plessner (1892-1985) en Max Scheler (1874-1928) geweest die vanuit het biologisch kader hebben gezocht naar datgene wat de mens tot mens maakt (differentia specifica), juist voorbij aan het ‘biologische’. Scheler stelt dat de mens zich niet zoals de dieren onmiddellijk tot de dingen verhoudt, maar afstand kan nemen: over de dingen na kan denken, zich kan bezinnen. Het persoonlijke van de filosofie plaatst hij weer in het mddelpunt.
Plessner legt grote nadruk op de verhouding van de mens tot zijn eigen lichaam en de excentrische verhouding daarmee. “De mens is zijn lichaam en de mens heeft een lichaam”. Dit zijn en hebben vormen twee uitersten. De mens is een eindig wezen dat zich niet totaal kan identificeren met zijn lichaam, maar er zich ook weer niet, als het meest eigene, helemaal van kan afwenden. Maar ook Plessner en Scheler worden getekend door de “manco ervaring”. Het is een thema dat door de hele filosofie zich op velerlei manieren manifesteert: de mens die zijn grenzen, zijn beperktheid en zijn tekortschieten ervaart en zich dat realiseert. Nogmaal het eerder genoemde artikel lezende van Marvin Minsky, mogen we duidelijk stellen dat ook hij zich, vanuit een ander standpunt weliswaar, bezig houdt met die manco ervaring .

Wanneer wij ons goed realiseren wat hiervoor werd beschreven, dan zou je kunstmatige intelligentie op een redelijke wijze in verband kunnen brengen met het mens- en wereldbeeld van Descartes. Met de fenomenologie wordt dat moeilijker: ik zie vooralsnog eigenlijk geen verbanden. Bij Descartes immers is de mens als subject de grond geworden van het weten, hetgeen gepaard gaat met een objectivering, alsmede ontgoddelijking van de werkelijkheid. De werkelijkheid wordt een verzameling netjes geordende feiten in tijd en ruimte en het subject vervaardigt vervolgens zijn verschijnende objectieve werkelijkheid. Anders gezegd: de wereld wordt een voorstelling en de mens een subject.

Marvin Minsy en de filosofie

Marvin Minsky is geen filosoof (en dat merkten we al eerder op). Hij is iemand die zich bezig houdt met computers en kunstmatige intelligentie. Maar wanneer kunstmatige intelligentie tot zijn onder-zoeksgebied behoort ontkomt hij er natuurlijk niet aan om over “het verschijnsel mens” na te denken. Steeds weer bij het lezen van het eerder genoemde artikel van Marvin Minsky en bij het horen van zijn andere uitspraken dringt zich een cartesiaans wereldbeeld op. We ontkomen er niet aan. Is dan het zoeken van de fenomenologie naar hetgeen de mens tot mens maakt, het persoonlijke, het eigene, bij Minsky afwezig, zo vroeg ik mij af? Nee, dat toch ook weer niet. Ik concludeer dat bijvoorbeeld uit de volgende twee punten:
  • Het feit dat hij het als een duidelijke grens ervaart wanneer computers het niveau van de menselijke intelligentie gaan bereiken.
  • Hij ziet zijn verantwoordelijkheid tegenover de gehele schepping. Graag haal ik daartoe ten tweeden male zijn eigen woorden aan: Will robots inherit the earth? Yes, but they will be our children. We owe our minds to the deaths en lives of all the creatures that were ever engaged in the stuggle called evolution. Our job is to see that all this work not end up in meaningless waste.

Vooral die laatste zin is erg belangrijk! Niettemin blijf ik het mensbeeld van Marvin Minsky vaag vinden: een duidelijke filosofische fundering levert hij uiteraard niet, die moeten we er zelf maar uit zien te halen. Toch nog een vraag voor Minsky: Vormen onze baatzucht en ijzeren wetten van het economisch denken geen geestelijke barrières bij de ontwikkeling van kunstmatige intelligentie en is de grootste beperking vooralsnog niet gelegen in onze gebrekkige kennis van het menselijk brein en de menselijke identiteit (Wij hebben als mens toch al de neiging om onze onderzoekingen te richten op mogelijkheden en niet op beperkingen).

Een conclusie met een vraagteken

Kunstmatige intelligentie, een virtueel bestaan: het is nog niet zover. Maar dat zeiden ze voor de tweede wereldoorlog ook over de atoombom. Niemand kon zich een dergelijk wapentuig voorstellen dat, hoe bizar het ook mag klinken, tegemoetkwam aan de maatschappelijke behoefte, totdat 1945 aanbrak . En is het zo niet met veel nieuwe technische ontwikkelingen gegaan?

De ontwikkeling die mensen als Marvin Minsky die voorspellen zal inderdaad kunnen plaatsvinden, ik sluit dat niet uit. Is de kwaliteit van het leven dan fundamenteel verbeterd? Is de mens daarmee dan uiteindelijk zelf tot God geworden, zoals sommigen wel eens willen suggereren? Het antwoord daarop kan kort en duidelijk zijn: Nee! Want wij construeren dan wel intelligenties, maar dat zijn geen intelligenties naar ons beeld en onze gelijkenis. Immers: dat wat wij scheppen zal beter, volkomener, waardevoller en onbeperkter moeten zijn dan wijzelf, hetgeen nou net het tegenover-gestelde is van wat wij aan God toeschrijven . En ook blijft de vraag naklinken die Marvin Minsky stelt: Hoe houden we dit alles onder controle? Kunnen wij dat wel?
Geen God dus!

Wat moeten wij dan met kunstmatige intelligentie? Zal het straks inderdaad zo zijn dat het verschijnsel mens op kunstmatige wijze is geevolueerd tot een virtueel bestaan? Zullen daarmee dan alle defecten en tekortkomingen die de menselijke geest tot op de huidige dag dwars zitten uitgebannen zijn en zal er dan slechts sprake zijn van een zuivere, gave geest? Hebben we dan inderdaad ons lichaam achtergelaten en behoort dat dan tot een ver verleden? En hoe zullen we omgaan met de mogelijkheid van onsterfelijkheid wanneer wij digitaal zijn vastgelegd?

Wordt de mens, staande in een wereld, in een samenleving vol innerlijke samenhang en betekenis dan werkelijk vervangen door een computer of machine, staande in een universum van atomaire elementen?

We zijn dan beland in een wel uitzonderlijk ver doorgevoerd cartesiaans wereldbeeld: de geest buiten het lichaam, digitaal vastgelegd als een denkende substantie met daarnaast duidelijk onderscheiden de ‘uitgebreide substantie’ van het stoffelijke. Of laten we dat stoffelijke helemaal achter ons? Wordt het bestaan louter en alleen nog een virtuele vertoning?

Voor de filosofie zal er dan allang geen ‘droog brood meer zijn te verdienen’. Wij hebben dan geen Plato meer nodig. Filosofisch leven wordt dan immers getransformeerd in een computergestuurd kunstmatig aanpassen van de intelligentie. Het wordt de definitieve dood (!) van Plato. Het wordt ook de dood van Kant overigens, want de vragen, wat kan ik weten? Wat moet ik doen? En wat mag ik hopen? samengevat in die ene intrigerende vraag: “wat is de mens?” zullen niet meer hoeven te worden gesteld als de evolutie of ontwikkeling van de mens met een computerprogramma kan worden gestuurd en mogelijk ooit voltooid is. En ook de vraag naar het ‘antropinon’, het specifiek menselijke, zal niet meer worden gesteld, omdat het er doodgewoon niet meer is!

Wordt de mens uiteindelijk geheel vervangen door kunstmatige intelligentie? Is dat dan de evolutie die wij zelf in gang hebben gezet?

Wij realiseren ons, dit alles overdenkende, van welk een groot belang het is wat Marvin Minsky schrijft:
Hoe houden wij de controle op kunstmatige intelligentie?

Het is ergens een geruststelling dat hij pleit voor een verantwoord omgaan met deze materie. Alleen dan zullen wij onze positie kunnen behouden zoals die wordt beschreven in psalm 8: ”de mens als heerser over de schepping”. En dat heersen vereist grote verantwoordelijkheid, o.a. de verantwoordelijkheid om de grens te trekken die Marvin Minsky stelt.
Alleen wanneer de mens zich de 3 beroemde vragen blijft stellen die Kant in zijn tijd formuleerde en daarbij steeds zoekende zal blijven naar datgene wat de mens tot mens maakt zal er plaats blijven voor die verantwoordelijkheid en zal men de controle kunnen behouden over alle toekomstige ontwikkelingen. Indien zulks niet het geval is verspillen we onze tijd.

Persoonlijke samenvatting

Ik heb serieus het eerder genoemde artikel van Marvin Minsky gelezen. Ik heb me serieus bezig gehouden met zijn gedachten en zijn standpunten. Steeds weer drong zich een zeker science fiction gehalte aan mij op en vroeg ik mij af op welke wijze ik dit alles moest benaderen. Het zal tussen de regels door wel duidelijk zijn geworden dat ik geen vurig pleitbezorger ben van de ingeblikte kunstmatige intelligentie. Integendeel. Nochtans zou je volgens mij een hele rij filosofen kunnen loslaten op het denkbeeld van de kunstmatige intelligentie. Zouden we de materie daarmee verhelderen? Ik ben bang van van niet. Er is namelijk een onderliggend veel minder denkbeeldig vraagstuk en dat is ‘onze zelfdefinitie als denkende en voelende wezens’. Dit vraagstuk is nog bij lange na niet opgelost (en trouwens: moet dat overigens wel?). Hebben filosofen, zeker in deze moderne tijd, dat vraagstuk niet teveel aan de kant geschoven? Ook Minsky hoor ik er niet over spreken op de wijze zoals ik dat wens. Het vraagstuk is dan ook nogal complex en daarom houdt men zich maar bezig met deelgebieden.

Om een superintelligentie te ontwikkelen zullen we eerst zelf moeten evolueren naar bovenmenselijk inzicht in onze eigen aard en de plaats die ons toekomt in het geheel der dingen. Het getuigt m.i. voorts van weinig realisme om te veronderstellen dat homo sapiëns in de toekomst geheel onbaatzuchtig kunstmatige intelligentie gaat scheppen die in het beste geval volledig autistisch zijn Schepper zal negeren. De drie bekende vragen van Kant blijven mij nog altijd zeer sympathiek en worden mij bijkans nog sympathieker wanneer ik voor de zoveelste maal nog eens dat artikel van Marvin Minsky doorlees: “Will robots inherit the earth?”

Ik kan niet beter afsluiten dan met het volgende, ontleend aan de woorden van de spaanse wijsgeer Ortegay Gasset (1883-1955): Het hangt van de mens zelf af of het ‘steeds verder’ ook een ‘steeds beter’zal zijn, of hij de steeds grotere mogelijkheden van het goede zal weten te verwezenlijken. De uitvinding van de atoomenergie is een geweldige vooruitgang en biedt enorme mogelijkheden ten goede. Het zal van ’s mensen omzichtigheid afhangen of hij die vooruitgang tot zijn geluk of tot zijn ongeluk zal weten te gebruiken.
© 2008 - 2009 Pierrewinants, gepubliceerd in Onderzoek (Wetenschap) op 16-09-2008. Het auteursrecht van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van Pierrewinants is vermenigvuldiging van dit artikel verboden. Meer...

Verwante artikelen

Bronnen en/of referenties

  • Cranston, Sylvia: Reïncarnatie; Den Haag; Miranda; 1988
  • Coolen, M: De machine voorbij: “Over het zelfbegrip van de mens in het tijdperk van de informatietechniek; Amsterdam, Meppel, Boom; 1992
  • R.Munnik: Reader systematische wijsbegeerte, propadeuse TFT Tilburg
  • Stichting open theologisch onderwijs Breda: Geschiedenis van de wijsbegeerte deel I, II en III, Kampen 1990
  • Sesam systematische encyclopedie deel V; Baarn 1959
  • J.H.Walgrave: De wijsbegeerte van Ortegay Gasset, Utrecht, Antwerpen 1962

Reageer op het artikel "Zullen wij de evolutie een handje helpen?"


Er zijn nog geen reacties geplaatst op dit artikel.