De evolutieleer: Geografie en evolutie

De evolutieleer: Geografie en evolutie

Waarom is de verspreiding van planten en dieren zo ongelijk? Omdat er nu eenmaal grote verschillen zijn in klimaat en bodemgesteldheid, zouden we kunnen zeggen. Maar enorme delen van Zuid-Amerika, Afrika en Azië zijn bedekt door tropische regenwouden en worden gekenmerkt door soortgelijke klimaten en bodems, terwijl hun flora en fauna sterk uiteenlopen. Hele soorten en families van de hedendaagse dierenwereld zijn tot het ene of andere continent beperkt. Enkele voorbeelden illustreren dat.

Evolutiecentrum van de kameelachtigen

De werkelijke verklaring is dat elke groep van organismen niet alleen in een gegeven periode, maar ook op een bepaalde plaats uit de stamvorm verder is ontwikkeld of geëvolueerd. Door nu de huidige verspreiding van de groep te vergelijken met die van de fossiele voorlopers, kunnen we ons een beeld vormen van het geografische uitstralingspunt, het zogenoemde evolutiecentrum, waar de groep oorspronkelijk vandaan komt. Laten we als voorbeeld de hedendaagse vertegenwoordigers van de kameelfamilie nemen. De lama en zijn verwanten, vicuna en guanaco, komen alleen in Zuid-
Amerika voor, terwijl de echte kamelen verspreid zijn over Noord-Afrika, Arabië en Azië, misschien niet alleen door de mens als door natuurlijke factoren. Deze twee hedendaagse geslachten, Lama en Camelus, zijn afstammelingen van een groep die in het verleden veel omvangrijker is geweest en waarvan tenminste 25 fossiele geslachten bekend zijn. De oorsprong van de groep gaat 50 miljoen jaar terug, en op één na alle geslachten hadden Noord-Amerika tot woongebied. De enige fossiele kamelen die buiten dit continent zijn ontdekt, dateren uit het Pleistoceen (2 milj. - 11.000 jr. geleden) en behoren tot de twee nog voortlevende geslachten of tot de Paleolama, een uitgestorven Zuid-Amerikaanse lamavorm. De huidige verspreiding van de familie ten spijt zal het duidelijk zijn dat het evolutiecentrum ervan in Noord-Amerika gelegen moet hebben (zie verspreidingskaart links), precies zoals de fossielen aantonen dat de kamelen zich tenminste 50 miljoen jaar geleden van de andere tweehoevigen moeten hebben afgesplitst en dat ze zich niet vóór het eind van de IJstijd, ongeveer een miljoen jaar geleden, naar de andere werelddelen hebben verspreid. In hun eigenlijke stamland zijn de dieren nu uitgestorven; en in de gebieden waar ze tegenwoordig voorkomen, zijn ze betrekkelijk nieuw.

Evolutiecentrum van de buideldieren

De buideldieren hebben ook zo'n welomlijnd evolutiecentrum. Uit de fossiele vondsten leidt men af dat ze zijn ontstaan in Zuid-Amerika en Australië, continenten die in die tijd waarschijnlijk met elkaar verbonden zijn geweest. Australië werd al vóór de opkomst van de zoogdieren van alle andere vastelanden gescheiden, en tegenwoordig zijn de zoogdieren in dit gebied alleen vertegenwoordigd door de buideldieren, afgezien van soorten die door de mens zijn ingevoerd en nog primitievere vormen als het vogelbekdier.

Geografische verspreiding

Evolutiecentra hoeven geen heel continent te beslaan. De verbreiding van een plant- of diergroep van het ene geografisch gebied naar een ander vereist echter een lange ontwikkeling en het bestaan van communicatiewegen. De emigrerende groep moet op de één of andere manier waterbarrières, hoge bergketens en zones met een ongunstig klimaat overwinnen, en intussen landbruggen, doorgangen en voldoende geschikt voedsel voor het voortbestaan van de individuen vinden. Het verhaal van de geografische verspreiding is nog grotendeels onbekend. Paleontologen en biologen zoeken nog steeds naar aanwijzingen en verklaringen om de wegen van het planten- en dierenleven in de loop van de tijden na te gaan. Pas de laatste decennia is het vrij zeker geworden dat het evolutiecentrum van de mens in Afrika is gelegen, en over de evolutiecentra van het zeeleven is al heel weinig bekend.

Wat tot dusver op dit punt is ontdekt, is dat levensvormen die in een gegeven gebied ontstaan zich tot ver daarbuiten kunnen verspreiden. Onder de steeds voortgaande invloed van de natuurlijke selectie kan de vorm zich van generatie op generatie beter aanpassen aan het nieuwe milieu en zich zo handhaven, maar uiteenlopende gebieden van de aarde produceren niet noodzakelijkerwijs soortgelijke nieuwe vormen, ook al zijn de klimaats- en andere omstandigheden wel gelijk.
© 2009 - 2012 Staal, gepubliceerd in Onderzoek (Wetenschap) op . Het auteursrecht van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van Staal is vermenigvuldiging van dit artikel verboden. Meer informatie…

Gerelateerde artikelen
Geografie: Inleiding regionale geografie Het lijkt alsof gebieden in toenemende mate met elkaar integreren. Vooral met in…
Geografie Israël: stadsgeografie en stedelijke planning Wanneer we het hebben over stadsgeografie en stedelijke plan…
Geografie: Gekleurde weergave van regio's Regio's worden niet alleen door geografen bestudeerd (regionale geografie - reg…
Nederland in delen (regionale geografie) – Ben de Pater e.a Boekrecensie: 'Nederland in delen' (1989) is een standaardwer…
Steden en streken (sociale geografie) – Hauer / De Pater Naar aanleiding van het emeritaat van geograaf professor Hoekvel…

Reageer op het artikel "De evolutieleer: Geografie en evolutie"

Er zijn nog geen reacties geplaatst op dit artikel.
Infoteur: Staal
Rubriek: Wetenschap / Onderzoek
Schrijf mee!