Recht En Wet en Uva Vak

Grondrechten: fundamentele rechten

Grondrechten zijn fundamenteel aan elk persoon. Het zijn rechten die onverkort gelden, tenzij het is toegestaan om deze rechten in te perken. Zo mag men op grond van vrijheid van meningsuiting iets zeggen wat de vrijheid van godsdienst (van een ander) kan schaden. Welke grondrechten heeft een persoon? Wanneer mogen deze beperkt worden? En wat gebeurt er indien twee of meer grondrechten met elkaar conflicteren?


Algemene begrippen

Grondrechten zijn fundamentele rechtsnormen die de strekking hebben aan het individu persoonlijke vrijheid en menswaardig bestaan te verzekeren en die de handelsvrijheid van met name de overheid beperken. Grondrechten worden onderscheiden in:
  • klassieke grondrechten: fundamentele, individuele vrijheidsrechten die (oorspronkelijk gezien) zien op de verhouding tussen burger en overheid. Deze rechten leggen (in beginsel) de overheid een onthoudingsplicht op. De overheid dient deze slechts waarborgen/garanderen.
  • sociale grondrechten: zorgplichten van de overheid die erop gericht zijn de bevolking als geheel een menswaardig bestaan te verzekeren. De overheid mag niet slechts waarborgen en garanderen maar zich ook inspannen. Het individu is – in tegenstelling tot bij de klassieke rechten – niet altijd de drager van het recht.

Grondrechten zijn opgekomen als reactie tegen de overheid die:
  • burgers willekeurig van het leven berooft, opsluit of hun eigendom ontneemt;
  • burger bepaald geloof of levenswijze wil opleggen
  • de vrije politieke wils- en meningsvorming van de burgers inperkt
  • burgers laat verkommeren

kritiek op grondrechten:
  1. natuurrecht/ menselijke waardigheid bestaat niet: normatief idee (slavernij, marteling)
  2. universaliteit bestaat niet: grondrechten zijn cultuur gebonden
  3. overtrokken individualisme: een individu stelt niks voor zonder de groep
  4. ideologische schijn: formele gelijkheid verhult maatschappelijke ongelijkheid
  5. algemeen belang gaat voor: vb terrorisme


Rechtsbescherming en reikwijdte

Bij de reikwijdte dient men zich het volgende af te vragen
  • wie zijn de grondrechtdragers?
  • welk grondrecht is in het geding?
  • is de beperking toegestaan?

Individuen, groepen en rechtspersonen zijn dragers van grondrechten. De overheid daarentegen is geen drager van grondrechten.

Reikwijdte vrijheid van godsdienst en levensovertuiging
  1. is er sprake van het belijden van een godsdienst of levensovertuiging in de zin van de bepaling?
  2. is er sprake van een levensovertuiging/ godsdienst?
    • is er sprake van een gedraging die is aan te merken als belijden?
    • is de overheidsmaatregel als een beperking daarvan te beschouwen?
    3. voldoet de beperking aan de clausulering?

Bij de rechtsbescherming dient men zich het volgende af te vragen:
  • valt de maatregel binnen de reikwijdte van een grondwetsbepaling of een ieder verbindende verdragsbepaling (EVRM, IVBPR)?
  • zo ja, is een beroep op de bepaling mogelijk (artikel 120 Grondwet)
  • zo ja, indien aan zowel EVRM als Grondwet is voldaan, dan moet de maatregel de beperkingsclausules van beide bepalingen doorstaan

De hiërarchie van de rechtsbronnen is als volgt:
  • Verdragen
  • Statuut
  • Grondwet <-- art. 120 Grondwet
  • WFZ
  • AMvB
  • Ministeriele regeling
  • Provinciaal
  • Gemeentelijk/waterschap

Verdragen staan dus het allerhoogst in de hiërarchie. Artikel 120 van de Grondwet is het toetsingsverbod: de rechter mag formele wetten (WFZ) en bepalingen van Verdragen niet toetsen aan de Grondwet. Lagere wetgeving (AMvB, ministeriele regeling, provinciale regeling, gemeentelijke wetgeving) mag daarentegen wel getoetst worden aan de grondwet.

Beperking van internationale grondrechten (EVRM)

Er zijn drie soorten bepalingen te onderscheiden:
  • absolute bepalingen: bijvoorbeeld artikel 3 EVRM artikel 5 Grw
    • kunnen beperkt worden door een noodtoestand: vb burgeroorlog
    • notstandsfest: onder geen enkele omstandigheid mag het recht beperkt worden (vb folterverbod)
  • bepalingen met een uitzonderingsclausule: zoals artikel 4 EVRM

  • bepalingen met een beperkingsmogelijkheid in het artikel:bijvoorbeeld artikelen 8 tot en met 11 EVRM
    • lid 1: het (geschonden) recht
    • lid 2: beperkingsclausule (cumulatieve eisen):
    • voorzien bij de wet
    • dient één van de genoemde doelen
    • maatregelen zijn noodzakelijk in een democratische samenleving
Met de eerste eis worden zowel wetten in formele/materiele zin als een bevoegd gegeven bevel of gewoontrecht begrepen. Bij deze eis worden twee subeisen gesteld, voortgevloeit uit jurisprudentie: toegankelijk en voorzienbaar. Vaak worden de genoemde doelen opgesomd in het tweede lid van het artikel. Om de derde eis te doorstaan, dient men drie voorwaarden langs gaan: weegt het door de maatregel gediende belang tegen de beperking op (proportionaliteit)? is het middel geschikt om het doel te bereiken? is er geen minder vergaande maatregel om hetzelfde doel te bereiken (subsidiariteit)?

Algemene beperkingsmogelijkheden zijn het uitroepen van de noodtoestand (artikel 15 EVRM) of indien er misbruik wordt gemaakt van het EVRM (artikel 17 EVRM).

Beperkingen van grondwettelijke grondrechten

De Nederlandse Grondwet onderscheidt verschillende soorten clausules. Bepaalde artikelen kennen zelfs mengvormen.
  • competentievoorschrift: de wet/ wetgever mag beperken, vb. artikel 7 lid 1 of artikel 10 lid 1
  • procedurevoorschrift: verplichte procedure volgen, vb artikel 12
  • doelcriteria: wijst doeleinden omwille waarvan beperking is toegestaan aan, vb artikel 9 lid 2 en artikel 6 lid 2 (uitgewerkt in de WOM)
  • kernrecht

De burgemeester heeft noodbevoegdheden toebedeeld gekregen door de wetgever (artikel 175-176 Gemeentewet). Het is de burgemeester toegestaan om af te wijken van de wet, maar niet van de Grondwet.

Men kan algemene beperkingen nemen, dat zijn maatregelen die ook een beperking meebrengen, maar daar niet op gericht zijn (neveneffect). Naast deze vorm kent men de maatregelen die wel degelijk gericht zijn op de beperking van grondrechten, zoals het tappen van de telefoon (bijzondere beperkingen).

Positieve verplichtingen en horizontale werking

Grondrechten hebben een werking van verschillende niveau/soort. Men onderscheidt standaar de verticale en de horizontale werking.
  • verticaal: werking tussen publieke orgaan en burger
  • diagonaal: rechtspersonen waarop de overheid grote invloed heeft
  • horizontaal: werking tussen burgers onderling
    • direct: rechter past Grondwet of verdrag toe en toetst aan beperkingsclausules (regels voor de rechter zelf)
    • indirect: rechter past privaatrechtelijk norm toe, maar laat zich inspireren door grondrechtelijk beginsel (regels voor gedrag burgers)
      • zwak: alleen verwijzen naar beginsel
      • sterk: verwijzen naar concrete artikelen

Botsing grondrechten

Bij samenloop is de hoofdregel dat de grondrechtelijke waarborgen cumuleren (zie artikel 53 EVRM). Indien er toch een botsing ontstaat dan dient de uitzondering aan: er wordt voorrang gegeven aan de les specialis (boven de lex generalis). Zie bijvoorbeeld artikel 3 Gronwet ten opzichte van artikel 1 Grondwet. Er is geen vaste hierarchie van grondrechten. Om te weten welk grondrecht voorrang heeft, dient men belangen af te wegen. Hierbij gelden de vragen als, betreft het een officieel persoon of een gewone burger? heeft de persoon media aandacht opgezocht?
© 2009 - 2010 Servanda, gepubliceerd in Recht en Wet (Wetenschap) op 11-02-2009. Het auteursrecht van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van Servanda is vermenigvuldiging van dit artikel verboden. Meer...

Verwante artikelen


Reageer op het artikel "Grondrechten: fundamentele rechten"


Er zijn nog geen reacties geplaatst op dit artikel.