InfoNu.nl > Wetenschap > Techniek > Geschiedenis van de straatlantaarn

Geschiedenis van de straatlantaarn

De lantaarnpaal is een vertrouwd voorwerp in ons straatbeeld. We hebben ook behoefte aan straatverlichting om te kunnen zien in het donker en om veiliger te zijn als we 's avonds of 's nachts buiten zijn. Door de tijd heen zijn er echter veel verschillende typen straatlantaarns geweest, waarbij zowel het materiaal, het ontwerp als de ophanging telkens zijn veranderd. Het belangrijkste was echter de gebruikte brandstof, waarbij men steeds weer op zoek was naar zo zuinig mogelijke oplossingen.
Artikelindeling (interne links)

Straatlantaarns door de eeuwen heen

Tot dusver hebben straatlantaarns in hoofdlijnen vier verschillende soorten brandstof gekend, namelijk kaarsen, olie, gas en elektriciteit. Daarbij konden de verschillende typen lampen onderling nog behoorlijk verschillen. Elektrische straatverlichting heeft zelfs lantaarns gekend die behoorlijk verschillend waren en zijn.
Tevens is er een belangrijk verschil tussen kaars- en olielantaarns enerzijds en gas- en elektrische verlichting anderzijds. Bij die laatste werd de brandstof namelijk via leidingen gedistribueerd, terwijl de andere lantaarns handmatig moesten worden gevuld. Het moge duidelijk zijn dat dit het onderhoud van straatlantaarns enorm veranderde.

Brandstof was in alle tijden duur, zeker voor zo'n massale vorm van verlichting als straatverlichting. Vandaar dat mensen altijd zijn blijven zoeken naar goedkopere en zuiniger soorten brandstof. Daarom wordt de geschiedenis van de straatlantaarn feitelijk bepaald door deze zoektocht en zal in dit artikel het verhaal van de straatlantaarn worden verteld aan de hand van de gebruikte brandstof.

De kaarslantaarn: de allereerste straatlantaarn

Ondanks het feit dat olielampen eigenlijk een oudere bron van verlichting zijn, waren de eerste lantaarns gebouwd rondom kaarsen. Door een winddichte behuizing kon men de kaars zonder al teveel verdere problemen mee naar buiten nemen. Met olielampen ging dat moeilijker omdat die teveel morsten.

De eerste generatie lantaarns waren allemaal draagbaar. Pas gedurende de late Middeleeuwen ging men ook vaste lantaarns, zogeheten hanglantaarns of gevellantaarns, aan huizen bevestigen. Dat was aanvankelijk geheel op particulier initiatief.
Vanaf het midden van de 16de eeuw werden er ook lantaarns opgehangen in opdracht van de overheid. Daardoor kwamen er behalve hanglantaarns ook vaste lantaarns die op staanders op de leuningen van bruggen werden geplaatst.

Deze oudste lantaarns waren rechthoekig en konden gemaakt zijn van verschillende materialen als ijzer, aardewerk of hout. De raampjes waren echter haast altijd gemaakt van hoorn. Een van de zijden ging als een deurtje open, zodat de kaarsen gemakkelijk vervangen konden worden. Bovenop de lantaarn zat een snuiver waardoor de rook kon ontsnappen. In die tijd produceerden kaarsen veel meer rook dan tegenwoordig, dus een goede snuiver was noodzakelijk.
Lees hier meer over kaarslantaarns en kaarslicht.

Kaarsen waren duur, ook omdat ze niet bepaald lang meegingen en dus snel vervangen moesten worden. Er waren twee typen kaars; de talkkaars die werd gemaakt van vet en de waskaars. De laatste was van betere kwaliteit, maar helaas ook vele malen duurder dan de eerste en daarom zelden tot nooit gebruikt voor buitenverlichting.
Toen de vraag naar meer straatverlichting geleidelijk aan groeide, werden de dure kaarsen een belangrijk obstakel. Vandaar dat men ging zoeken naar alternatieven.

Olielantaarns

De belangrijkste reden dat olie zo snel morst is dat het, als het in een gewoon reservoir zit, uitzet en overloopt als de temperatuur stijgt. In 1663 bedacht de Amsterdamse uitvinder Jan van der Heyden, ook bekend van de slangenbrandspuit, een afgesloten reservoir waaruit de olie niet wegkon. Hierdoor werd de olielantaarn mogelijk.

De olie die werd gebruikt was raapolie, die door windmolens werd geslagen uit koolzaad. Deze brandstof ging veel langer mee dan kaarsen en gaf bovendien nog beter licht ook. De olielantaarn werd dan ook al snel een succes. Dat begon in Amsterdam, de thuisstad van Van der Heyden, waar buitenlandse bezoekers zich vergaapten aan het nieuwe lichtwonder.

De olielantaarn was bijna vierkant, behalve dat hij naar boven toe iets wijder uitliep. Ook nu bleef een goede snuiver van belang, omdat olie evengoed veel rook produceert. Er kwamen zowel lampen met één als met twee pitten. De laatste gaven beduidend meer licht, maar waren natuurlijk duurder in het gebruik.
Koper was het beste materiaal om de lantaarns van te maken, maar dat zou gestolen worden. Ook blik gaf problemen omdat het ging roesten van de vloeistof. Daarom was de olielantaarn meestal gemaakt van aardewerk. Veel later zou men toch overstappen op koperen lantaarns, waarbij men de diefstal dan tegenging door het koper te verven.

Uitvinding van de lantaarnpaal
Door het succes en de vele opdrachten die hij kreeg op het gebied van straatverlichting, werd Van der Heyden gestimuleerd om ook over de verdere uitvoering van lantaarns na te denken. Daarbij kwam al snel de wens bovendrijven om lantaarns te kunnen plaatsen waar daar behoefte aan was.
Dat leidde tot een volgende uitvinding, namelijk die van de lantaarnpaal, welke aanvankelijk Jan van der Heydenpaal werd genoemd. Deze palen waren meestal van eikenhout gemaakt.

De lantaarnpaal had twee belangrijke voordelen:
  • Men kon de straatverlichting voortaan plaatsen waar men wilde, zonder afhankelijk te zijn van aanwezige gebouwen of bruggen.
  • Men kon de hoogte waarop de lamp kwam te hangen precies afmeten. Op die manier kon men de meest efficiënte manier van lichtspreiding verkrijgen.

Dit alles wil niet zeggen dat de gevellantaarn nu in het vergetelhoekje raakte. Integendeel, ook voor deze lampen kwamen er nieuwe ontwerpen.Tevens kwamen er op sommige plekken lantaarns die aan touwen midden boven de weg werden gehangen. Dat voorkwam diefstal.

De réverbèrelamp of lamptaren
In de loop van de 18de eeuw nam de vraag naar goede straatverlichting explosief toe. Daardoor kreeg men behoefte aan zuiniger lampen of lantaarns die beduidend meer licht gaven, zodat er minder van geplaatst hoefden te worden. Er werd steeds meer geëpirimenteerd met olielantaarns met twee of drie pitten.

Tenslotte ontstond rond 1770 in Frankrijk een geheel nieuw type olielantaarn. Dit was de zogeheten réverbèrelamp, in Nederland ook wel lamptaren genoemd.
De réverbèrelamp is voorzien van twee of drie pitten en heeft gepolijste en holle spiegels die het licht extra rondkaatsten. Dit verspreidde veel licht in alle richtingen.

De productie van de lamptaren was echter een kostbare aangelegenheid. Daar kwam bij dat rond die tijd ook de sierlijke, gietijzeren lantaarnpaal in opkomst was. Vandaar dat deze lantaarn een luxe product voor de betere wijken werd en bepaald geen bevredigende oplossing voor goedkopere en betere straatverlichting.

Gaslantaarns

Uiteindelijk was er een geheel nieuw type brandstof nodig om daadwerkelijk tot verbetering van de straatverlichting te komen. Dat kwam vanaf het begin van de 19de eeuw echter binnen bereik door de nieuwe brandstof gas. In steeds meer steden werden gasleidingen aangelegd en hoe voor de hand liggend was het om daar, ondanks de nodige tegenstand, voortaan ook de straatverlichting op aan te sluiten. Hiermee was de eerste vorm van serieverlichting een feit.
Lees hier meer over gasverlichting.

Natuurlijk dienden lantaarnpalen wel geschikt te zijn om op de gasleidingen te worden aangesloten. Hoewel het basismodel van de gaslantaarn niet eens zoveel verschilt van dat van de olielantaarn moesten bij een overgang toch alle lantaarns worden aangepast of zelfs vervangen.
Een bijkomend nadeel was dat het vervangen en vernieuwen van alle pijpen kon beteken dat ook alle lantaarns weer vervangen moesten worden. In 1883 is dit bijvoorbeeld de stad Amsterdam overkomen.

In 1893 werd het gloeikousje uitgevonden. Dat was een grote verbetering voor de kwaliteit van het licht. Het vroeg echter opnieuw om een aanpassing van alle lantaarnpalen en ditmaal wereldwijd. Alle gaslantaarns moesten opnieuw worden aangepast. Gelukkig maakte het gloeikousje het op andere punten de moeite waard.

De lampen van de gaslantaarns kenden meer verschillende en sierlijkere vormen dan die van olie. Wel liep hij nog steeds wijd uit en was voorzien van een snuiver. Met gas was de rook er namelijk nog steeds niet minder op geworden, ondanks het feit dat de gasbranders werden afgeschermd door een glazen omhulsel.

Daar bracht het gloeikousje verbetering in. Het glazen omhulsel was niet meer nodig. Daardoor kon men voortaan lantaarns maken in de vorm van een kelk. Dergelijke lampen wierpen geen schaduwen meer, zoals oudere lantaarns wel volop deden.

Gietijzeren palen
Meer dan welke andere straatlantaarn ook, wordt die op gas geassocieerd met fraaie gietijzeren palen. Dat was toeval. De ontwikkeling en populariteit van gietijzer ging gelijk op met die van gaslicht. Op het einde van de 19de eeuw was het ook nog betaalbaar, zij het niet overal. Gietijzeren palen kwamen vaak in het centrum van een stad of in dure wijken. Elders waren de lantaarns van dezelfde materialen als de oude olielantaarns: koper of aardewerk.

In het elektrische tijdperk werd gietijzer te duur, niet in de laatste plaats omdat het aantal lantaarnpalen weer enorm toenam door de gemakkelijke gloeilamp. Gelukkig zijn veel oude, gietijzeren lantaarns toch behouden gebleven, met name op rustieke plekken. Vaak bleken ze gemakkelijk om te bouwen tot elektrische verlichting.

Elektrische straatlantaarns

Elektrische straatverlichting heeft tot nu toe vier tamelijk verschillende soorten lampen opgeleverd: de booglamp, de gloeilamp, de gasontladingslamp en, vrij recentelijk, de ledlamp. Zij hebben allen een geheel eigen werking. Dat komt omdat elektriciteit niet zelf brand, maar iets anders ontsteekt en aan het branden houdt. Voor dat 'iets' zijn verschillende mogelijkheden.

De booglamp
De eerste vorm van elektrische verlichting was de booglamp. Deze schopte het ook tot de eerste vorm van elektrische straatverlichting. Sterker nog, de booglamp was uitsluitend geschikt voor buitenverlichting, omdat er teveel gas vrijkwam voor gebruik binnenshuis.

De booglamp werkte op zogeheten 'koolstaven'' die langzaam opbrandden. Helaas was het een erg bewerkelijke vorm van buitenverlichting omdat de koolstaven na zo'n 6 uur alweer vervangen konden worden. Wel gaf de booglamp beduidend meer licht dan andere straatlantaarns. Vandaar dat hij toch werd gebruikt, maar dan vooral op plaatsen waar echt veel licht nodig was.
Lees hier meer over de booglamp.

De booglamp bracht nog een tweede vernieuwing mee, namelijk de kantelbare lichtmast. Dit was een extra hoge lantaarnpaal waarvan men de lamp met een katrolsysteem naar beneden kon halen voor vervanging van de koolstaven en onderhoud. Dat was nu mogelijk omdat er geen open vlam meer in de lantaarn aanwezig was. Deze masten zouden ook na de booglamp nog een tijdje blijven bestaan, totdat de mobiele hoogwerker hen in de jaren '60 overbodig maakten.

Gloeilampen
Vanaf het begin van de 20ste eeuw werden zowel gaslantaarn als booglamp vervangen door gloeilampen. Deze werden geschikt voor straatverlichting nadat ze in 1910 een gloeidraad van wolfraam hadden gekregen.
De omschakeling had niet al teveel voeten in de aarde omdat de gaslantaarns gemakkelijk konden worden aangepast op elektrisch licht. Op veel plaatsen werden elektrische leidingen ook aangelegd door bestaande gasleidingen heen.

Gasontladingslampen
Na de Tweede Wereldoorlog werd de gloeilamp op zijn beurt alweer verdrongen door de eerste generatie gasontladingslampen. Dat waren lampen die brandden met behulp van van natriumdamp of kwikdamp. De kwikdamplamp had echter als nadeel dat het een wat blauwig schijnsel afgaf, waardoor hij nooit erg populair werd.
De natriumdamplamp zou uiteindelijk algemeen worden ingevoerd. Door de jaren heen werd de natriumdamplamp natuurlijk wel op verschillende punten verbeterd. De belangrijkste vernieuwing was het installeren van dimmers die werken op schakelaars die reageren op de beschikbare hoeveelheid daglicht.

Na de Tweede Wereldoorlog zou er ook het nodige veranderen aan het uiterlijk van de lantaarnpaal. Het gietijzer werd vervangen door staal en aluminium en soms ook door beton. Men is altijd aandacht blijven besteden aan het uiterlijk van de lantaarnpalen, maar kon toch niet voorkomen dat ze er veel functioneler uit kwamen te zien. Een gevolg van serieproductie.

Ledlampen en energiezuinige straatverlichting
De lantaarnpaal van de toekomst zal vooral een duurzamer model zijn. Er bestaan al lantaarns die werken op ledverlichting. Afgezien daarvan zullen er meer of andere dimmers worden geïnstalleerd, welke ook reageren op maanlicht. En er zullen milieuvriendelijkere materialen komen waaruit de palen worden opgetrokken.

Toch is dat niks nieuws onder de zon, want feitelijk wordt de hele geschiedenis van de straatlantaarn gekenmerkt door de zoektocht naar duurzaamheid en mogelijke besparingen.

Lees verder

© 2010 - 2017 Varenna, het auteursrecht van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van de infoteur is vermenigvuldiging verboden.
Gerelateerde artikelen
Straatverlichting door de eeuwen heenVan keurig verlichte straten zoals wij die kennen, was lang niet altijd sprake of toch zeker niet in dezelfde mate. Het…
Woontrend 2013: lantaarnsDe lantaarn is de afgelopen jaren een geduchte concurrent geworden van de kandelaar. Momenteel zijn ze echter populairde…
De rode lantaarnDe rode lantaarn is een spreekwoordelijke prijs die wordt uitgereikt aan de renner die laatste wordt in het klassement v…
Magritte: Brussel in ban van beroemdste surrealist vaBelgieSinds de opening van het Magritte museum in Brussel is de hoofdstad van Belgie in de ban van het surrealisme. Maar wat b…
Kinderliedjes: Sint MaartenKinderliedjes: Sint MaartenIeder jaar op 11 november wordt in sommige streken van Nederland, maar ook in Vlaanderen en Noord-Frankrijk het Sint Maa…
Bronnen en referenties
  • A. van de Linde - 'Het oude licht: straatlantaarns en straatverlichting door de eeuwen heen.' 1980 Eindhoven

Reageer op het artikel "Geschiedenis van de straatlantaarn"

Plaats een reactie, vraag of opmerking bij dit artikel. Reacties moeten voldoen aan de huisregels van InfoNu.
Meld mij aan voor de tweewekelijkse InfoNu nieuwsbrief
Reactie

Wieger Nieuwenhout, 28-04-2015 00:21 #1
Een heel aardig artikel moet ik zeggen. Ik las iets over Kwikdamplampen en Natriumlampen. Kwikdamp lampen geven inderdaad een wat kil licht af, maar onder kwikdamp lampen behoud een voorwerp wel zijn originele kleur. Bij Natriumlampen lijkt alles wel zwart wit, en is er geen kleuronderscheiding.

Met vriendelijke groeten,
Wieger nieuwenhout Reactie infoteur, 02-05-2015
Beste Wieger,

Bedankt voor je reactie en voor het compliment. Zelf heb ik tot nu toe bar weinig informatie gevonden over kwikdamplampen en natriumlampen, dus bedankt voor de aanvulling. Dat geeft alvast meer duidelijkheid.

Vriendelijke groeten,
Varenna

Infoteur: Varenna
Laatste update: 10-07-2013
Rubriek: Wetenschap
Subrubriek: Techniek
Special: Licht geschiedenis
Bronnen en referenties: 1
Reacties: 1
Schrijf mee!