Dichtkunst: Rainer Maria Rilke

Wat is het dat maakt dat de mens wel of niet graag gedichten leest, soms wat moet inkomen in het begin, de ene dichter wel of juist niet aansprekend vindt en zowel onverschillig als diep geroerd kan zijn bij het lezen van een gedicht. Het onderstaande artikel laat verschillende filosofische ‘zienswijzen’ los op het gedicht ‘Spaziergang’ van de Duitse dichter Rainer Maria Rilke. Het artikel bespreekt zijn gedicht aan de hand van de wetenschapsfilosofische benaderingen hermeneutiek, kritische theorie en postmodernisme.

Gedicht: 'Spaziergang'

Schon ist mein blick am Hügel, dem besonnten,
dem Wege, den ich kaum begann, voran.
So faßt uns das, was wir nicht fassen konnten,
voller Erscheinung, aus der Ferne an –

und wandelt uns, auch wenn wirs nicht erreichen,
in jenes, das wir, kaum es ahnend, sind;
ein Zeichen weht, erwidernd unserm Zeichen…
Wir aber spüren nur den Gegenwind.


Dichter

Rilke (1875-1926) volgt in zijn gedichten een artistiek spoor dat verwant is aan de filosofie van Arthur Schopenhauer en Friedrich Nietzsche. Dit spoor leidde tot een radicale afrekening met de vanzelfsprekendheden van het westelijke christendom en een afrekening met de moderne natuurwetenschappelijke verklaring van de werkelijkheid. Zijn pessimistische wereldbeschouwing, zijn erkenning van de werkelijkheid zonder enige romantiek en zijn ‘intensieve waarnemingen’ van de natuur, menselijke verhoudingen en gevoelslevens, maakt wellicht dat hij in de huidige individualistische maatschappij nog steeds een populaire dichter genoemd kan worden, ook buiten het literaire circuit.

Hermeneutiek

De vroege theoretici van de hermeneutiek benadrukken een onderscheidt tussen natuurwetenschappen en geesteswetenschappen door een bijzondere rol toe te kennen aan interpretatie. Deze interpretatie gaat bij Schleiermacher twee kanten op; hij richt zich zowel op begrip van het werk als geheel, door interpretatie van de individuele elementen van het werk, én interpretatie van het werk als geheel. Begrip van een individuele dichtregel vereist een idee van het werk als geheel en van de culturele en maatschappelijke omstandigheden waarin de auteur het heeft geschreven. De zin “Wir aber spüren nur den Gegenwind” betekend als losse regel enkel het letterlijke ‘niets méér voelen dan de tegenwind’ maar kan in verhouding tot het gehele gedicht een figuurlijk reizen, de verhouding van de mens ten opzichte van de wereld waarin hij zich beweegt, ofwel in zijn hoofd ofwel in de letterlijke visuele ruimte om hem heen, betekenen. Schleiermacher zou daarna de vraag stellen in welke omstandigheden Rilke zich op dat moment bevond. Spaziergang is geschreven in 1924 in Parijs, waar Rilke in een sanatorium verbleef vanwege ernstige gezondheidsproblemen. De interpretatie van het gedicht als geheel, zou door Schleiermacher bezien worden met inachtneming van deze zaken. De tegenwind een verwijzing naar Rilke’s persoonlijke strubbelingen.

Vanuit de hermeneutiek met als voorbeeldwetenschap de esthetica stelt Gadamer dat het begrijpen van een tekst niet ‘een min of meer bewuste handeling door een interpreterend subject is, maar veeleer een ervaring/ beleving die zowel interpreet (de dichtlezer) als geïnterpreteerde (het gedicht) vormt en verandert. Het lezen van een gedicht kan ons zo diep raken dat we, al is het maar voor korte tijd, een totaal ander mens worden’. Gadamer’s theorie gaat verder dan Schleiermacher’s dichtregel, gedicht als geheel en omstandigheden waarin de auteur zich bevond. Gadamer zet de dialoog tussen gedicht en dichtlezer centraal; niet de kennis van de (buiten)wereld waarin Rilke verkeerde toen hij het gedicht schreef of de individuele kennis die ik als lezer bezit staat centraal, maar het wederzijdse begrip tussen mij en het gedicht, met in achtneming dat mijn impliciete en onbewuste veronderstellingen, bepalend zijn voor het begrijpen van de taaluiting.

Kritische theorie

Vanuit de kritische theorie, ontstaan uit de confrontatie van hermeneutische en structuralistische theorieën, stelt Marx dat de geschiedenis van de mensheid voortgedreven wordt door de tegenstellingen tussen arbeidende en bezittende klasse. Het denken en de cultuur, ook wel door Marx aangeduid als ‘de bovenbouw’ volgt de ontwikkelingen in economische verhoudingen binnen de maatschappij, ook wel door Marx aangeduid als ‘de onderbouw’. Anders dan de hermeneutiek gaat de kritische theorie uit van een economische verhouding waarin men zich bevindt. Hierdoor stelt Marx dat de dichtlezer, dichter en het gedicht op zichzelf behoren tot ‘de bovenbouw’ en geënt zijn op de ontwikkelingen van ‘de onderbouw’. Niet zozeer in letterlijke en beschrijvende vorm, maar wel de wisselwerking waar men als onderzoeker vanuit moet gaan. Uitgaand van Marx gedachtegoed zal ‘de onderbouw’ zich inlaten met ‘het denken en de cultuur’, waaronder ook de dichtkunst valt, op het moment dat ze zich bewust wordt van zichzelf. De impliciete vraag die ik stel in de inleiding, ‘waarom gedichten mij interesseren’ en de aanname ‘dat ik dichtkunst kan waarderen door er van jongs af aan mee in aanraking te zijn geweest’, verklaard Marx als volgt: ik ben, ofwel lid van ‘de bovenbouw’, ofwel lid van een ‘zichzelf bewust geworden arbeidersklasse’.

De literatuurcriticus Benjamin daarentegen herleidt een kunstwerk niet tot de klassenpositie van de maker, maar koppelt de menselijke waarneming aan technologische ontwikkelingen en vernieuwingen door de eeuwen heen. Het feit dat gedichten door de boekdruktechniek op grote schaal gereproduceerd kunnen worden, maakt dat meer mensen toegang krijgen tot het gedicht en maakt dat het unieke en sacrale van het gedicht wegvalt en dat men het gedicht op een nieuwe manier kan waarnemen. Bezien vanuit Benjamins theorie, is mijn voorliefde voor Rilke’s werk mogelijk gemaakt door technologische ontwikkelingen. Aangezien ik niet tweetalig ben opgevoed en mij niet in een sanatorium in Parijs bevond in 1924, had ik zonder technologische ontwikkelingen nooit zijn gedichten kunnen lezen, laat staan kunnen loven. Het feit dat ik, na de Duitse taal geleerd te hebben, van Nederlandse vertalingen overgestapte op de Duitse versies van Rilkes werk, kan aan de hand van Benjamins theorie uitgelegd worden in termen als ‘de kracht van het aura van het werk’, het onvervangbare en onherhaalbare. De gedichten in de oorspronkelijke taal, ook al is de dichtbundel een replica, dragen mogelijkerwijs meer van het aura in zich dan de vertalingen.

Het hoe en waarom van een kunstwerk, ofwel gedicht, waarderen kan aan de hand van Bourdieu’s onbewust of halfbewust stelsel wat mij bij is gebracht door de groep waartoe ik behoor. Deze groep heeft mij automatisch bepaalde handelingen aangeleerd. De specifieke handeling van het gedichten lezen is onderdeel van mijn habitus. Het veld van dichtlezers waartoe ik daardoor behoor, geeft mij tevens een bepaald symbolisch kapitaal, net als dat Rilke, volgens Bourdieu gelijk aan iedere kunstenaar, bij het schrijven van zijn gedichten streefde naar symbolisch kapitaal, erkenning en monopolie op het uitdrukken van schoonheid.

Postmodernisme

‘Postmodernisten benadrukken het gefragmenteerde en heterogene karakter van de hedendaagse cultuur, wetenschap en maatschappij. Ze ontkennen dat deze heterogene elementen met elkaar in overeenstemming gebracht kunnen worden […] In de postmoderne literatuur wordt dit standpunt tot een principe verheven dat de organisatie en compositie van romans bepaald.’

Postmoderne kunst bevat ironie, toespelingen en speelt met oudere vormen zonder de pretentie te hebben daar een nieuwe eenheid of synthese uit te vormen. Het werk van Rilke, bezien vanuit een postmodern standpunt, zou volgens Derrida gedeconstrueerd moeten worden alvorens het te kunnen begrijpen. De begrippenparen waarin wij denken zijn niet neutraal en zorgen er volgens Derrida voor dat oorsprong van woorden en tekst problematisch is om vast te stellen, laat staan uit te leggen. Wij zijn immers doordrenkt met begrippenparen die ons denken automatisch produceert bij het lezen van een tekst. Hierdoor zijn we niet in staat een ‘kale’ tekst te lezen. We vergelijken en geven daardoor betekenis aan de tekst. Doordat we denken vanuit een bepaalde hiërarchie in betekenis van woorden, zijn we gevangene van een bepaald machtsspel, zo stelt Derrida.

Gericht op Rilke’s gedicht stelt Derrida dat de ‘paren’ eerst gedeconstrueerd en vervolgens weer geconstrueerd worden. Dit laatste aangezien ons denken volgens hem niet zonder deze begrippenparen kan. Toegepast op de eerste en laatste zin van Rilke’s gedicht Spaziergang, kunnen de zinnen Schon ist mein blick am Hügel en Wir aber spüren nur den Gegenwind de begrippenparen; mooi/ lelijk, heuvel/ dal, voelen/denken, tegenwind/windje voor - voorspoed opleveren. Dit zorgt ervoor dat er geen Ding an Sich ìs. Taal is niet in staat om een stabiele betekenis te waarborgen en wordt ook niet beheerst door intenties van de auteur. Een vaste betekenis kan men dus ook niet geven aan taal, enkel een subjectieve betekenis, afhankelijk van de begrippenparen die de individuele lezer, in lijn met de hiërarchisch in de maatschappij waarin hij leeft, maakt.

Tot slot

De poging om een voorliefde voor dichtkunst, aan de hand van drie wetenschapsfilosofische benaderingen, inzichtelijker te maken heeft het volgende opgeleverd:

  • Begrip van een individuele dichtregel vereist een idee van het werk als geheel en van de culturele en maatschappelijke omstandigheden waarin de auteur het heeft geschreven. Daarnaast kan het begrijpen van een tekst, in dit geval Spaziergang, niet objectief verklaard worden en heeft de poging daartoe zowel mijzelf (interpreet) als het gedicht (geïnterpreteerde) veranderd en gevormd.
  • Als dichtlezer behoort men, tezamen met Rilke en zijn gedichten, tot ‘de bovenbouw’. Deze drie-eenheid die niet los van elkaar gezien kan worden is geënt op de ontwikkelingen van ‘de onderbouw’. Tegelijkertijd doet deze verdeling van klassen er niets toe, aangezien men zonder de technologische revolutie nooit een gedicht had kunnen lezen. Door de tijd waarin we leven is deze mogelijkheid er wel, maar het feit dat men daadwerkelijk gebruik maak van deze mogelijkheid is te verklaren aan de hand van habitus, ofwel het systeem waar men onderdeel van uitmaak.
  • De begrippenparen waarin men, binnen deze tijd en maatschappij, denk zorgen er voor dat men bij het lezen van het gedicht, gestuurd wordt. Het benoemen van een mooie blik op de heuvel doet vermoeden dat er tevens een lelijke blik en een minder lieftallig dal bestaat. De beschreven tijd en het stilstaan daarvan, de verschijning van de ‘dingen’ en de niet zichtbare aanwezigheid van die ‘dingen’ om ons heen.. Het niet bereiken maar alleen maar zien. De wens om verder te kijken dan je blik letterlijk reikt en de treurigheid van niet vooruit komen, want er is tegenwind die je daartoe weerhoudt. De paren zorgen voor de bovenbeschreven negatieve associatie, het is niet het gedicht of de dichter die deze ‘waarheid’ bezit.
  • Van een conclusie kan niet gesproken worden.
© 2012 - 2020 Koosjelaan, het auteursrecht (tenzij anders vermeld) van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van de infoteur is vermenigvuldiging verboden.
Gerelateerde artikelen
Verstehen voor dummiesVerstehen voor dummiesVerstehen is een begrip uit de filosofie dat werd bedacht door Wilhelm Dilthey. De kunst van het lezen van een tekst is…
Musea in Ronda (Zuid-Spanje)In de vele museums van Ronda (Andalusie) kan je als toerist of plaatselijke inwoner, enkele aangename uurtjes doorbrenge…
Angelus Silesius, de mysticus uit BreslauAngelus Silesius, pseudoniem voor Johann Scheffler, studeerde geneeskunde en was een begenadigd dichter. Het is echter a…
Het postmodernisme uit de jaren tachtigHet postmodernisme uit de jaren tachtigHet postmodernisme is een van de lastigere stromingen uit de kunst; wat het postmodernisme is laat zich niet makkelijk o…

Kenmerken: Kwalitatief & Kwantitatief onderzoekKenmerken: Kwalitatief & Kwantitatief onderzoekEr zijn twee algemene onderzoeksmethoden, namelijk kwantitatief en kwalitatief onderzoek. Welke van deze onderzoeksmetho…
Rauw voedsel niet voordelig voor de hersenenRauw voedsel niet voordelig voor de hersenenBij tijd en wijle is er weer een nieuwe trend op het gebied van eten. Zo is het ook een tijd het rauwe voedsel, of raw-f…
Bronnen en referenties
  • R.M.Rilke. Die Gedichte. P.783
  • M. Leezenberg en G. De Vries. Wetenschapsfilosofie voor geesteswetenschappen. Amsterdam 2001:149.

Reageer op het artikel "Dichtkunst: Rainer Maria Rilke"

Plaats als eerste een reactie, vraag of opmerking bij dit artikel. Reacties moeten voldoen aan de huisregels van InfoNu.
Meld mij aan voor de tweewekelijkse InfoNu nieuwsbrief
Ik ga akkoord met de privacyverklaring en ben bekend met de inhoud hiervan
Infoteur: Koosjelaan
Gepubliceerd: 28-10-2012
Rubriek: Wetenschap
Subrubriek: Onderzoek
Bronnen en referenties: 2
Schrijf mee!