InfoNu.nl > Wetenschap > Recht en wet > Bewijs in het strafrecht

Bewijs in het strafrecht

Voordat een verdachte schuldig kan worden bevonden, moet worden bewezen dat hij een bepaald strafbaar feit heeft gepleegd. Schuld kan in Nederland alleen worden bewezen door gebruik te maken van wettelijke bewijsmaterialen, welke in ons wetboek van strafvordering zijn vastgelegd. Buiten deze wettelijke bewijsmaterialen mag de rechter geen andere vormen van bewijs gebruiken om de schuld van de verdachte aan te nemen. Hier een uiteenzetting van het bewijsstelsel in ons strafrecht.

Bewijsstelsels

In Nederland kennen wij een negatief-wettelijk bewijsstelsel (zie art. 338 Sv). Dit stelsel behoort samen met het positief-wettelijk stelsel tot de twee vormen van wettelijke bewijsstelsels. Naast deze wettelijke bewijsstelsels kennen we ook nog twee vormen van vrije bewijsstelsels: het stelsel van de bloot gemoedelijke overtuiging en het stelsel van de beredeneerde overtuiging. Bij het stels van de bloot gemoedelijke overtuiging, speelt enkel de overtuiging van de rechter over de schuld van verdachte een rol. De rechter hoeft nu niet te beargumenteren waarom hij is overtuigd van verdachtes schuld. Dit is anders bij het stelsel van de beredeneerde overtuiging, hierbij moet de rechter ook overtuigd zijn van de schuld van verdachte, maar daarnaast moet ook gemotiveerd worden waarom dit zo is. Zij beslissing moet dus verantwoord worden.

Bij het positief-wettelijk bewijsstelsel moet de rechter zich houden aan de bewijsmiddelen die hem worden aangedragen door de wet. Enkel op basis van deze bewijsmiddelen mag de rechter een verdachte als schuldig aan een strafbaar feit veroordelen. Bij dit bewijsstelsel is het echter zo, dat als de rechter een bepaald aantal bewijsmiddelen voor handen heeft waarmee schuld kan worden bewezen, de verdachte ook als schuldig moet worden aangemerkt. De rechter moet dan veroordelen, ook al is de rechter niet overtuigd van de schuld van verdachte. Bij het negatief-wettelijk bewijsstelsel is dit iets anders. Ook hier moet de rechter bij zijn veroordeling kijken naar de bewijsmiddelen welke de wet biedt, hierbuiten mag de rechter geen andere bewijsmiddelen aannemen voor de veroordeling van de verdachte. De overtuiging van de rechter over schuld of onschuld van de verdachte speelt bij dit bewijsstelsel echter wel een belangrijke rol. Het stelsel zal de rechter niet verplichten om een verdachte tegen zijn zin in te veroordelen, als de rechter ook maar een beetje twijfelt over de schuld van de verdachte, dan moet hij vrijspreken.

Kenmerken en werking van ons bewijsstelsel

Zoals ik al zei, kennen wij in Nederland een negatief-wettelijk bewijsstelsel. Hierbij is het eerste kenmerk dat de rechter overtuigd moet zijn van de schuld van een verdachte. Is dit niet het geval, dan moet worden vrijgesproken. Het tweede kenmerk is, dat deze overtuiging moet steunen op de wettige bewijsmiddelen uit art. 339 Sv. Dit artikel geeft een opsomming van vijf bewijsmiddelen die bij de veroordeling van een verdachte een rol mogen spelen. Andere bewijsmiddelen zijn dus niet toegestaan en kunnen geen veroordeling tot gevolg hebben. Het derde kenmerk houdt in dat er minstens een minimum aan bewijs moet zijn om iemand te kunnen veroordelen, de bewijsminima. Een belangrijk bewijsminimum is vastgelegd in art. 342 lid 2 Sv. Hierin staat dat de rechter de tenlastelegging niet als bewezen mag verklaren als deze bewezenverklaring enkel steunt op één getuigenverklaring. Een uitzondering hierop, is dat één getuige verklaring wel een deel van de tenlastelegging kan bewijzen. Hiernaast staan er nog een aantal andere bewijsminima in ons wetboek van strafvordering, zoals art. 341 lid 3 en 4 Sv. Een ander, belangrijk voorbeeld is art. 344 lid 2 Sv. Hierin staat uitdrukkelijk bepaald dat een rechter een veroordeling wel in zijn geheel mag baseren op een proces-verbaal van een opsporingsambtenaar.

Een vierde kenmerk in ons bewijsstelsel is, dat het bij de bewezenverklaring moet gaan om de vraag of verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan. Hierbij wordt benadrukt dat de rechter voor de bewijsvraag enkel kijkt naar de eerste materiële vraag van art. 350 Sv. Dit is de vraag die de rechter zich moet stellen om te kijken of het strafbare feit bewezen kan worden of niet en dus of de verdachte dit feit heeft begaan. Bij de bewijsvraag wordt dus nog niet naar mogelijke
strafuitsluitingsgronden gekeken, zoals noodweer. Als laatste kenmerk moet de overtuiging van de rechter voortkomen uit het onderzoek ter terechtzitting. Bij dit cruciale punt moet er voor gezorgd worden dat de bewijsmiddelen allemaal, als daar tenminste gebruik van wordt gemaakt, ter terechtzitting bekend zijn gemaakt. Dit met het oog op de verdachte, welke zich tegen de bewijsmiddelen moet kunnen verdedigen.

De bewijsmiddelen

Art. 339 Sv worden onze vijf wettige bewijsmiddelen één voor één opgesomd. Allereerst wordt de waarneming van de rechter genoemd, dit bewijsmateriaal zal ik, door zijn gecompliceerdheid, als laatste behandelen. Als tweede bewijsmiddel wordt de verklaring van de verdachte genoemd. Dit bewijsmiddel wordt verder uitgewerkt in art. 341 Sv, waarin we zien dat de verdachte op twee manieren zijn verklaring kan afleggen: op het onderzoek ter terechtzitting en al eerder, bijvoorbeeld bij de politie. Het eerste fenomeen wordt gewoon de verklaring genoemd, het tweede de opgave van feiten. De verklaring geldt als wettig bewijs op grond van art. 339 Sv. Dit is echter de vraag voor de opgave van feiten. Dit staat niet opgesomd in 339 Sv en alles wat buiten dit artikel als bewijs wil gelden, is dus juist niet geldig als bewijs. Deze kwestie wordt echter opgelost door art. 344 Sv, waarin staat dat schriftelijke bescheiden ook als bewijsmiddelen kunnen gelden (hierover straks meer). Een schriftelijk bescheiden is in dit geval een proces-verbaal. Dit maakt de politie op naar aanleiding van de zaak van de verdachte, waarin dus ook de opgave van feiten (de verklaring dus) van de verdachte wordt vastgelegd. Zo kan ook dit tot het bewijs worden gerekend. Een verklaring van de verdachte wordt ten eerste natuurlijk gezien als een bekentenis van de verdachte over het strafbare feit. Het is echter ook mogelijk dat de verdachte het strafbare feit waarvoor hij terecht staat ontkent. Ook dit kan als bewijs dienen, om bijvoorbeeld het tegendeel te bewijzen! Vooral als de ontkenning als leugenachtig kan worden beschouwd, mag dit als bewijsmiddel worden gebruikt. Let op: uit de andere bewijsmiddelen moet wel blijken dat de verdachte een leugen heeft verteld, anders kan deze verklaring niet als tegenbewijs worden gebruikt.

Het derde bewijsmiddel is een verklaring van een getuige uitgewerkt in art. 342 Sv. Een getuige kan een burger zijn, maar ook gewoon een agent of andere opsporingsambtenaar. De getuige moet een verklaring geven over wat hij of zij heeft waargenomen en heeft ondervonden. Een verklaring van een getuige mag dus niet gebaseerd zijn op gissingen of meningen. Daarnaast mag de getuige geen conclusies trekken. Doet een getuige dit wel, dan mag de rechter daar geen acht op slaan! De rechter moet dus onderscheid weten te maken tussen meningen en gissingen en de waarheid. Hiervoor kan volgens de jurisprudentie bijvoorbeeld gekeken worden naar de deskundigheid van de getuige (bijvoorbeeld een politieagent of een gewone burger). Daarnaast is van belang om te weten dat er een onderscheid wordt gemaakt tussen de wettigheid van een bewijsmiddel en de redengevendheid van een bewijsmiddel. Een bewijsmiddel kan bijvoorbeeld volgens de wet een wettig middel zijn, waardoor dit middel gebruikt kan worden voor de bewijsvoering, dit hoeft echter nog niet te zeggen dat het middel ook tot een bewezenverklaring kan leiden, het kan namelijk hele andere verklaringen bevatten dan die zijn vereist voor het bewijs.

De vierde bewijsvorm is die van een verklaring van een deskundige, uitgewerkt in art. 343 Sv. Deskundigen verschaffen vaak in opdracht van een bepaalde persoon, zoals de officier van justitie, allerlei informatie omtrent de verdachte en de nog lopende zaak. Deze bevindingen worden vaak vastgelegd in een schriftelijk bescheiden, welke ook wettelijke bewijsmiddelen vormen krachtens art. 344 Sv. Deze bevindingen worden dan meestal tijdens de terechtzitting toegelicht door de deskundige. Deze verklaring bestaat vaak uit twee zaken: de deskundige geeft een verslag van zijn bevindingen, vaak op wetenschappelijke basis, daarnaast geeft de deskundige vaak ook zijn eigen mening en verbindt daar zijn eigen conclusies aan. Dit laatste mocht de getuige niet, de deskundige is hier echter toe bevoegd. Hierbij wordt wel van de deskundige verwacht dat hij een onpartijdig onderzoek doet en dit ook zo brengt.

Het laatste bewijsmiddel zijn de schriftelijke bescheiden, uitgewerkt in art. 344 Sv. In dit artikel worden een aantal schriftelijke bescheiden genoemd welke als wettelijke bewijsmiddel kunnen dienen. Hieronder valt verre weg de belangrijkste categorie van bewijsmaterialen, namelijk de proces-verbalen. Er worden in praktijk drie eisen gesteld aan het proces-verbaal: deze moet alleen eigen waarnemingen en ondervindingen van de ambtenaren bevatten, deze moet gemaakt zijn naar de wettelijke vorm en deze moet gemaakt zijn door een daartoe bevoegd persoon. De eisen aan een proces-verbaal worden in art. 152 jo. 153 Sv nader uitgewerkt, zo moet het verbaal worden opgemaakt onder ambtseed.

Als laatste kom ik bij de eigen waarneming van de rechter, verder uitgewerkt in art. 340 Sv. Hierin staat dat de rechter enkel een eigen waarneming kan doen tijdens het onderzoek ter terechtzitting en dus niet meer daarna! Deze vorm van bewijzen vormt een soort bodemloze put van het aanvoeren van bewijsmateriaal. Zo kan de rechter tijdens de terechtzitting namelijk foto's en opnames te zien krijgen, welke hij vervolgens als bewijsmateriaal kan aannemen. Zo worden dit soort belangrijke bewijsmaterialen niet uitgesloten.
© 2010 - 2018 Maria_louise91, het auteursrecht (tenzij anders vermeld) van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van de infoteur is vermenigvuldiging verboden.
Gerelateerde artikelen
Bewijs in een rechtszaakIn het Nederlandse recht geldt dat er altijd voldoende bewijs moet zijn van het gepleegde strafbare feit, voordat iemand…
Wat doet een AdvocaatWat doet een AdvocaatEen korte uitleg over het werk van een advocaat en hoe alles in zijn werk gaat. Ook zal er aandacht worden besteed aan w…
Procedure bij strafrechtEen strafrechtelijke procedure is een rechtszaak in het strafrecht. De rechter beoordeelt of de verdachte een misdrijf o…
Bewijsminimum: één getuige is geen getuigeHet unus testis nullus testis-beginsel is vastgelegd in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. Dit…
Strafrechter & RechtzittingStrafrechter & RechtzittingHet verloop van de zitting bij de Strafrechter. Waartoe is de rechter verplicht aan het begin van de zitting? Wanneer wo…
Bronnen en referenties
  • 'Strafprocesrecht', Prof. mr. B.F. Keulen, Prof. mr. G. Knigge, twaalfde druk.

Reageer op het artikel "Bewijs in het strafrecht"

Plaats een reactie, vraag of opmerking bij dit artikel. Reacties moeten voldoen aan de huisregels van InfoNu.
Meld mij aan voor de tweewekelijkse InfoNu nieuwsbrief
Ik ga akkoord met de privacyverklaring en ben bekend met de inhoud hiervan
Reacties

S. van den Akker, 31-03-2015 09:48 #5
Beste,

Het is toch wel zo dat er bij de eerste materiële vraag (art. 350 Sv), dient te worden gekeken naar strafuitsluitingsgronden indien wederrechtelijkheid en/of schuld bestanddelen zijn van de tenlastelegging en delictsomschrijving?

Cor Karsten, 14-11-2013 15:17 #4
Het volgende adagium ‘Testis unus, testis nullus of Unus testis, nullus testis’ klopt in theorie voor 100 procent. Daar is geen speld tussen te krijgen. Maar ja, dat is dan ook theorie. En theorie is heel geduldig.
De praktijk laat echter zien dat de Nederlandse rechter, als het hem goed uitkomt, gewoonweg de vloer aanveegt met bovengenoemd adagium. Hoe die rechter dat dan doet? Nou, simpel. Hij gebruikt voorde bewezenverklaring gewoon als cruciaal bewijsmiddel een lasterlijke verklaring die door een als slachtoffer acterende aanslagpleger in hoger beroep is afgelegd, een verklaring waarop onmiskenbaar alsdan de veroordeling zal zijn gebaseerd. Die cruciale verklaring is echter lasterlijk en dus is het niet mogelijk bevestiging voor de inhoudelijke essentie van die verklaring aan te voeren. Maar dat mag de pret niet drukken. Er wordt gewoon gedaan alsof dier cruciale verklaring 100 procent de waarheid weergeeft, de waarheid de gehele waarheid en niets dan de waarheid. De rechter voelt gewoon op zijn klompen aan dat het zo is. De andere zogenaamde bewijsmiddelen, die de cruciale verklaring omlijsten, geven ook geen (absolute) steun aan de cruciale verklaring. Simpelweg omdat ze dat inhoudelijk per definitie niet kunnen. Dat is namelijk een onmogelijkheid, want die cruciale verklaring is inhoudelijk op zich lasterlijk, wat uitsluit dat deugdelijke ondersteunende bewijsmiddelen ervoor kunnen bestaan. De omlijstende bewijsmiddelen, die in zo’n bewijsconstructie op zichzelf per definitie dus ook niet kunnen worden bevestigd, fungeren praktisch daarom als algemene sfeerbouwers en indrukwekkers van de cruciale verklaring, maar ze kunnen die cruciale verklaring dus niet bevestigen. Het is in zulke rechtszaken dan ook geen zeldzaamheid en niet zonder reden dat de Nederlandse rechter zich onthoudt van het geven van een behoorlijke, onweerlegbare motivatie in het arrest en tevens dat er de mogelijkheid bestaat dat cruciale ontlastende bewijsmiddelen uit het dossier zijn
achtergehouden.

C. Karsten, 03-09-2012 20:40 #3
Het wordt ontkend maar het is een waarheid als een koe, dat een in hoger beroep afgelegde meinedige simpele verklaring van een crimineel kan worden aangewend voor de veroordeling van de onschuldige aangeklaagde in een rechtszaak.
Als u bewijs daarvan wilt, u gelieve te kijken naar de zaak nr. 89.021, d.d. 9 april 1991, strafkamer.
Uit de als bewijsmiddel in het arrest gebezigde schriftelijke verklaring van de aangeklaagde blijkt dat hij geen noodweer heeft gepleegd en ook geen beroep op noodweer heeft gedaan. De aangeklaagde was weerloos en machteloos slachtoffer. Toch hebben juristen ervan gemaakt dat hij wél beroep op noodweer zou hebben gedaan. Maar het is volstrekt in strijd met de waarheid dat de aangeklaagde een beroep op noodweer zou hebben gedaan.

Marie-Jose van Rie, 07-04-2012 11:02 #2
Beste Marlous, Leuk dat je het initiatief genomen hebt om naast je studie tegaan schrijven. Het zal je veel opleveren tijdens en na je studie! Ikzelf ben Slaviste, Bestuurskundige, tolk in opleiding (Russisch). In het kader van dat laatste bezocht ik je site. Mijn vraag is: wat is de Latijnse benaming van het principe van 'Een verklaring is geen verklaring'. Ik bezocht laatst een strafzaak in de Amsterdamse rb edeze term kwam op. Bij voorbaat dank voor je reactie en veel succes!, Marie-Jose Reactie infoteur, 08-04-2012
Bedoel je het volgende adagium?
Testis unus, testis nullus of Unus testis, nullus testis
Eén getuige is geen getuige.
Iemand kan niet op grond van slechts de getuigenis van één persoon veroordeeld worden.

T. V/d Knokke, 08-08-2011 20:49 #1
Ik heb een vraag aangaande het stelsel van de bloot gemoedelijke overtuiging en van de beredeneerde overtuiging. Is de rechter ook toegestaan bovengenoemde stelsesl toe te passen in bestuursrechtelijke geschillen? Uw antwoord hierop wordt op prijs gesteld. Reactie infoteur, 09-08-2011
Goede morgen,
Over bewijs in het bestuursrecht heb ik ook een artikel geschreven, ik wil u hier eerst
naar verwijzen. Mocht u dan nog vragen hebben, plaats dan gerust nog een reactie.
Link: http://wetenschap.infonu.nl/recht-en-wet/72590-bewijs-in-het-bestuursrecht.html
Met vriendelijke groet,
Marloes Lenferink

Infoteur: Maria_louise91
Gepubliceerd: 04-11-2010
Rubriek: Wetenschap
Subrubriek: Recht en wet
Bronnen en referenties: 1
Reacties: 5
Schrijf mee!